eerste broodvermenigvuldiging 3
273.3
M. Valtorta:
'Ze brengen dit voedsel naar de Meester.
"Goed. Breng me nu een paar manden.
Zeventien, zo veel als jullie zijn...
Margziam zal de kinderen te eten geven!"
Jezus kijkt de schriftgeleerde, die nog steeds dichtbij hem staat, aandachtig aan,
en vraagt: "Wil jij ook de hongerigen te eten geven?"
"Dat zou ik graag willen. Maar ik heb zelf niets bij me."
"Geef wat van het Mijne. Dat sta Ik je toe."
"Maar... wil Jij met die twee vissen... en die vijf broden...
vijfduizend mannen, plus vrouwen en kinderen, te eten geven?"
"Zonder twijfel. Wees niet ongelovig.
Wie gelooft, zal het wonder zien gebeuren!"
"O! Dan wil ik echt wel voedsel uitdelen!"
"Laat je dan ook een mand geven!"
De apostelen keren terug met manden en mandjes,
brede en ondiepe, of diepe en smalle.
En de schriftgeleerde komt terug met een vrij kleine.
Men begrijpt dat zijn geloof, of ongeloof, hem ertoe bracht
om dat als het beste te kiezen...
"Goed. Zet alles hier vooraan neer.
En laat de menigte ordelijk neerzitten,
in rechte rijen voor zover dat mogelijk is."
En terwijl dit gebeurt,
heft Jezus het brood met de vissen erop op, biedt ze aan, bidt en zegent ze.
De schriftgeleerde verliest Hem geen moment uit het oog.
Dan breekt Jezus de vijf broden in achttien stukken,
en breekt de twee vissen in achttien stukken,
en legt het stukje vis – een heel klein stukje – in elke mand,
en Hij breekt de achttien stukken brood in hapjes:
elk stuk in vele hapjes.
Relatief veel: een twintigtal, niet meer.
Elk stuk, in stukjes gebroken, in één mand, bij de vis.
"En neem en deel nu uit, tot ze verzadigd zijn.
Gaan jullie! Ga, Margziam, en geef ze aan je vriendjes!"'
Reacties
Een reactie posten