eerste broodvermenigvuldiging 4
273.4
M. Valtorta:
'"O, wat zwaar!" zegt Margziam, terwijl hij zijn mand optilt
en meteen naar zijn vriendjes rent, lopend als iemand die een zware last draagt.
De apostelen, de discipelen, Manaën en de schriftgeleerde kijken hem onzeker na...
Dan nemen zij de manden en zeggen, terwijl ze hun hoofd schudden:
"De jongen maakt een grapje! Ze zijn niet zwaarder dan eerst!"
En de schriftgeleerde kijkt ook in zijn mand, en tast met zijn hand over de bodem,
want er is niet veel licht meer op de beboste plek waar Jezus is,
terwijl er verderop, op de open plek, nog voldoende licht is.
Maar, ondanks deze constatering, gaan ze naar de mensen toe
en beginnen uit te delen. En ze geven, geven, geven.
En zo nu en dan kijken ze vol verbazing, steeds verder weg, naar Jezus,
die met gekruiste armen tegen een boom leunt,
en hun verbazing lieflijk toelacht.
De uitdeling duurt lang en is overvloedig...
en de enige die géén verbazing toont, is Margziam, die vrolijk lacht
omdat hij met brood en vis de schoot vult van zoveel arme kinderen!
Hij is ook de eerste die naar Jezus terugkeert en zegt:
"Ik heb zoveel gegeven, zoveel, zoveel!... Want ik weet wat honger is!..."
En hij heft zijn gezichtje op, dat nu niet langer graatmager is,
maar dat in de herinnering wel bleek wordt, zijn ogen wijd open.
Maar Jezus streelt hem, en de glimlach keert terug op het stralende gezicht van dat kind
dat, vol vertrouwen, tegen Jezus, zijn Meester en Beschermer, aanleunt.
Langzaam keren de apostelen en discipelen terug, sprakeloos van verbazing.
De laatste is de schriftgeleerde, die niets zegt.
Maar hij maakt een gebaar dat meer zegt dan woorden.
Hij knielt neer en kust de zoom van Jezus' kleed.
"Neem jullie deel en geef Mij ook een beetje.
Laten we het voedsel van God opeten."
Ze eten brood en vis,
ieder naar behoefte...'
Reacties
Een reactie posten