Judas wil imponeren, véchten tegen tegenstanders
210.2
M. Valtorta:
'"Neem me niet kwalijk dat ik het vraag... Maar welke dingen wilde je zien, tegen wie wilde je vechten?" vraagt Thomas.
"Welke? Tegen wie? Maar om Zijn wonderwerken te zien! En dan het hoofd te kunnen bieden aan degenen die zeggen dat Hij een valse profeet is, of bezeten door een demon. Want dat zeggen ze toch, begrijp je? Ze zeggen dat als Beëlzebub Hem niet steunt, Hij een arme sukkel is.
En gezien Beëlzebubs grillige humeur welbekend is, en we weten dat hij er plezier in heeft om te nemen en te laten, zoals een luipaard doet met zijn prooi, en gezien de feiten deze gedachte rechtvaardigen, baart het me zorgen dat Hij niets doet. Wat een mal figuur slaan we! De apostelen van een Meester... een en al leer, dat is onmiskenbaar, maar verder niets."
Judas' abrupte stop na het woord "Meester", suggereert dat hij nog grovere dingen wilde zeggen.
De vrouwen zijn verbijsterd.
En Maria van Alfeüs, als familielid van Jezus, zegt scherp:
"Ik ben hier niet verbaasd over, maar dat Hij jou duldt, mijn jongen!"
Maar Andreas, de immer vriendelijke Andreas, verliest zijn geduld
en schreeuwt, rood en woedend, net als z'n broer voor een keer:
"Ga weg dan! En maak je niet nog meer belachelijk vanwege de Meester! Wie heeft er jou geroepen? Ons wilde Hij. Maar jou niet. Jij moest er meerdere keren op aandringen dat Hij je accepteerde. Je hebt jezelf opgedrongen. Ik snap niet waarom ik de anderen alles moet vertellen..."
"Met jullie [Galileërd] valt niet te praten. Ze hebben gelijk dat ze jullie ruziezoekerig en dom noemen..."
"Nou, ook ik..." grapt Thomas [Judeër] om de naderende storm af te wenden, "...snap eerlijk gezegd niet waar jij de fout in de Meester vindt. Ik wist niets van die grillige buien van de Duivel. Ocharme! Hij moet wel weirdo zijn. Als hij een evenwichtige geest had gehad, zou hij niet tegen God in opstand zijn gekomen. Maar ik zal er nota van nemen."
"Maak geen grapjes! Want ik maak geen grapjes. Kun je dan zeggen dat Hij zich in Jeruzalem heeft laten opmerken? Zelfs Lazarus zei dat, toch..."
Thomas' lach klinkt luid.
Dan, nog steeds lachend, en zijn lach heeft Iskariot al gedesoriënteerd, zegt hij:
"Hij heeft niets gedaan? Vraag het maar aan de melaatsen van Siloan en Hinnom! Wat wil zeggen, je zult niemand meer in Hinnom vinden, want ze zijn allemaal genezen. Als jij er niet was, omdat je haast had om weg te gaan van je... vrienden, en daarom niet weet wat er is gebeurd, verandert dat niets aan het feit dat de dalen van Jeruzalem, en vele andere, weergálmen van de Hosanna's van de genezenen!" besluit Thomas ernstig.'
Reacties
Een reactie posten