aankomst bij purperslakvissers in Tyrus
CCLI
TOT DE SYROFENICISCHE VISSERS:
PARABEL v/d VOLHARDENDE MIJNWERKER
-ERMASTEUS VAN ASJKELON-
251.1
Maria Valtorta:
'Het is vroeg in de ochtend
wanneer Jezus aankomt bij een stad aan zee.
Vier boten volgen hem.
De stad steekt merkwaardig genoeg de zee in, alsof ze op een landtong is gebouwd.
Inderdaad, alsof een smalle landtong het deel, dat de zee in steekt, verbindt
met het deel dat op de kust ligt.
Vanuit zee gezien lijkt het op een enorme paddenstoel,
die op de golven rust met zijn top en wortels in de kust:
de landtong is dan de steel.
Aan weerszijden ervan liggen twee havens;
de noordelijke, minder beschutte, ligt vol met kleine bootjes.
De andere, in het zuiden, is veel beschutter, met grote schepen die aankomen of vertrekken.
"Daar moeten we heen," zegt Isaac, wijzend naar de haven met de kleine bootjes.
"De vissers zijn daar!"
Ze varen rond het eiland
en ik zie dat de landtong kunstmatig is,
een soort cyclopische dam die het eilandje met het vasteland verbindt.
Die is eerder al zonder enige moeite gebouwd!
Aan de hand van zulk bouwwerk, en het aantal schepen in de haven,
leid ik af hoe rijk en actief de stad was in de handel.
Achter de stad, na een vlak gebied, liggen prachtige heuvels,
en in de verte zijn de grote Hermon en het Libanese gebergte zichtbaar.
Ik concludeer dan dat dit een van de steden is die ik vanuit de Libanon heb gezien.
Ondertussen komt de boot van Jezus aan in de noordelijke haven,
op de rede van de haven, want hij meert niet aan maar vaart langzaam heen en weer,
voortgedreven door de roeispanen, tot Isaak degenen ziet die hij zoekt
en hen luid roept.'
Reacties
Een reactie posten