Judas vraagt om tijdje bij Maria te mogen wonen 1
262.5
Maria Valtorta:
'Ze keren terug naar de grote kamer
waar de vermoeide apostelen diep slapen,
behalve Iskariot, die op het puntje van zijn stoel lijkt te zitten.
"Wilde je Me spreken, Judas?" vraagt Jezus.
"Nee, Meester, maar ik kan niet slapen en ik wil even naar buiten."
"Wie houdt je tegen? Ik ga ook naar buiten.
Ik ga naar die heuvel. Daar is het helemaal in de schaduw...
Ik zal rusten en bidden. Wil je met me meegaan?"
"Nee, Meester. Ik zou Jou tot last zijn,
want ik ben niet in staat om te bidden.
Misschien... misschien voel ik me niet goed
en is het dat wat me dwars zit..."
"Blijf dan maar. Ik dwing niemand.
Tot ziens! Tot ziens, vrouwen!...
Moeder, als Johannes van Endor wakker wordt,
stuur hem dan naar Mij toe, en alleen!"
"Ja, Zoon. Vrede zij met Je!"
Jezus gaat weg.
Maria en Susanna buigen naar voren om het doek op het weefgetouw te bekijken.
Maria zit met haar handen in haar schoot, lichtjes voorovergebogen.
Misschien bidt zij ook.
Maria van Alfeüs wordt al snel moe van het kijken naar het werk.
Ze gaat in de donkerste hoek zitten, en valt al snel in slaap.
Susanna vindt het het beste om haar na te doen.
Maria en Judas blijven wakker.
De eerste is volledig in zichzelf gekeerd.
De laatste kijkt haar met wijd open ogen aan,
zonder haar uit het oog te verliezen.
Eindelijk staat hij op
en nadert haar langzaam en geruisloos.
Ik weet niet waarom, maar ondanks zijn onmiskenbare schoonheid,
doet hij me denken aan een katachtige, of een slang die z'n prooi nadert.
Misschien is het mijn afkeer van hem, waardoor ik zelfs zijn manier van lopen
als sluw en wreed ervaar...
Hij roept zachtjes: "Maria!"
"Wat wil je van me, Judas?" vraagt Maria lieflijk,
en ze kijkt hem aan met haar meest tedere blik.
"Ik wil met je praten..."
"Spreek. Ik luister!"
"Niet hier... Ik wil niet gehoord worden...
Zou je niet even naar buiten willen gaan?
Daar is het ook schaduwrijk..."
"Laten we gaan. Maar zie je... ze slapen allemaal...
je zou ook hier kunnen praten," zegt de Maagd.
Maar ze staat op, en gaat als eerste naar buiten,
leunend tegen de hoge bloemenhaag.
'Wat wil je van me, Judas?'
vraagt ze opnieuw, terwijl ze de apostel scherp aankijkt,
die een beetje van streek is, en moeite lijkt te hebben om de juiste woorden te vinden.
"Voel je je ziek? Of heb je iets verkeerds gedaan, en weet je niet hoe je het moet zeggen?
Of heb je het gevoel dat je op het punt staat iets verkeerds te doen,
en vind je het moeilijk om je verleiding te bekennen?
Spreek, mijn zoon!
Zoals ik je lichaam heb genezen, zo zal ik ook je ziel genezen!
Vertel me wat je dwarszit, en als ik kan, zal ik je kalmeren.
Als ik het niet alleen kan, zal ik het aan Jezus vragen.
Zelfs als je zwaar gezondigd hebt, zal Hij je vergeven
als ik voor jou om vergeving vraag.
Echt waar, ook Jezus zou je onmiddellijk vergeven...
Maar misschien schaam je je voor Hem, je Meester.
Ik ben een moeder... mij beschaam je niet..."
"Ja. Jou beschaam ik niet, want jij bent een moeder, en een hele goede.
Jij bent werkelijk de vrede onder ons."'
Reacties
Een reactie posten