mens werd verleid tot egocentrisme - Gods altruïsme druist daartegenin


417.7

Jezus zegt:

"Er is zuurdesem en zuurdesem.

Er is het zuurdesem van het Goede, en er is dat van het Kwade.


Het zuurdesem van het Kwade, een satanisch gif, 

gist gemakkelijker dan dat van het Goede.


Omdat het het meest geschikte materiaal voor zijn gisting vindt

in het hart van de mens, in de geest van de mens, in het vlees van de mens, 

die alle drie verleid zijn door een zelfzuchtige wil, 

daarom tegengesteld aan de universele Wil, 

die die van God is.



De wil van God is universeel

omdat die zich nooit beperkt tot een persoonlijke gedachte, 

maar altijd het welzijn van het hele universum voor ogen heeft. 

Niets van welke aard ook kan Gods volmaaktheid vergroten, 

aangezien Hij altijd al alles volmaakt bezat. 

Daarom kan geen enkele gedachte aan persoonlijk gewin 

Zijn handelingen motiveren.


Wanneer er gezegd wordt:

"Dit wordt gedaan tot grotere Glorie van God, in Gods belang,"

dan is dat niet omdat de goddelijke Glorie van nature in staat zou zijn tot toename,

maar opdat alles in de schepping dat ​​het teken van het goede draagt,

en ieder mens die goed doet, en daarom verdient om het te bezitten,

wordt getooid met het teken van de goddelijke Glorie,

aldus glorie gevend aan de Glorie zelf,

die alle dingen op glorieuze wijze heeft geschapen.

Het is, kortom, een getuigenis die mensen en dingen aan God afleggen,

met hun werken getuigend van de volmaakte Oorsprong waaruit zij voortkomen.


Daarom doet God, 

wanneer Hij jullie gebiedt, adviseert of inspireert tot handelen, 

dat niet uit eigenbelang, maar uit altruïstische, barmhartige zorg voor jullie welzijn.


Daarom is Gods wil nooit egoïstisch, 

maar volledig gericht op altruïsme, op universaliteit.


De enige ware kracht in het universum 

is die welke een universeel goed voor ogen heeft.



Het zuurdesem van het Goede,

het geestelijke zaad dat van God komt,

groeit daarentegen met veel tegenspoed en moeite, met veel ontberingen, 

omdat het de ingrediënten tegenover zich heeft die gunstig zijn voor de andere:

het vlees, het hart en de geest van de mens, doordrongen van een egoïsme

dat de tegenpool is van het Goede, dat, van(wege zijn) oorsprong, 

niets anders kan zijn dan Liefde.


De wil tot het goede ontbreekt bij de meeste mensen,

en daarom wordt het Goede onvruchtbaar en sterft,

of leeft zo verlamd, dat het niet oprijst: 

het blijft daar/waar het is.

Er bestaat geen zware zonde.

Maar er is ook geen inspanning om het maximum goed te doen.

Daarom ligt de geest inert.

Niet dood, maar vruchteloos.



Wees je ervan bewust 

dat het niet doen van kwaad slechts voldoende is om de hel te vermijden.

Om metéén van het prachtige Paradijs te kunnen genieten, 

moet men goed doen. Absoluut. Zoveel als men kan.

Vechtend tegen zichzelf en tegen anderen.


Want heb Ik niet gezegd [265.12 en 276.12]...

dat Ik gekomen ben om oorlog te brengen en geen vrede

- ook niet tussen vader en zoon, tussen broers en zussen -

wanneer die oorlog voortkomt uit het verdedigen van Gods Wil en Zijn Wet

tegen de druk van de menselijke wil in, 

die indruist tegen wat God wil."




18 juli 1944

Reacties