aan Zacheüs was (slecht) de Bergrede verteld - 'zuurdesem' dat had hij gekoesterd
417.8
Maria Valtorta:
'"In Zacheüs was het kleine handjevol goede zuurdesem uitgegroeid tot een grote massa.
Slechts een kruimeltje was in zijn hart achtergebleven: ze hadden hem Mijn Bergrede verteld.
Slecht verteld zelfs, verminkt op vele punten, zoals zo vaak het geval is met overgeleverde preken.
Zacheüs, een tollenaar en een zondaar. Maar niet uit kwade wil.
Hij was als iemand die, met de sluier van staar op zijn pupillen, de dingen slecht ziet.
Maar die weet dat het oog, bevrijd van die sluier, zijn vermogen om helder te zien terugkrijgt.
En zo'n zieke wenst dat die sluier zou worden weggenomen.
Zo was het ook met Zacheüs.
Hij was noch overtuigd, noch gelukkig.
Niet overtuigd door de farizeïsche praktijken, die de ware Wet toen hadden vervangen.
En niet gelukkig met zijn levenswijze.
Hij zocht instinctief naar het licht. Het ware Licht.
Hij zag er een glimp van in dat fragment van de Bergrede,
en bewaarde dat in zijn hart als een schat.
Omdat hij hiervan hield – let hier goed op, Maria –
omdat hij ervan hield, werd de vonk steeds levendiger, groter en onstuimiger,
en leidde hem ertoe om goed en kwaad helder te onderscheiden
en de juiste, genereuze keuze te maken,
waarmee hij alle tentakels verbrak
die hem voorheen in een web van verderfelijke slavernij hadden gewikkeld,
van de dingen naar het hart en van het hart naar de dingen.
Omdat hij hiervan hield...
Dit is het geheim van succes of falen.
Je slaagt wanneer je liefhebt.
Je slaagt slechts gedeeltelijk wanneer je met moeite liefhebt.
Je faalt volledig wanneer je niet liefhebt.
In alles.
Des te meer voor de zaken van God, waar men,
omdat God onzichtbaar is voor de lichamelijke zintuigen,
een liefde moet hebben die, durf Ik te zeggen, volmaakt is
- voor zover een schepsel volmaaktheid kan bereiken -
om in een onderneming te slagen.
In heilig worden, in dit geval.
Zacheüs, walgend van de wereld en het vlees,
alsof hij walgde van de kleinzieligheid van de farizeïsche praktijken,
zo kieskeurig, onbuigzaam jegens anderen, te neerbuigend jegens hen,
koesterde die kleine schat van een van mijn woorden, die hem bij puur toeval was ingegeven;
menselijkerwijs gesproken, koesterde hij die als het mooiste wat zijn 40j. leven had gekend,
en vanaf dat moment richtte hij zijn hart en gedachten op dit punt.
Niet alleen in het kwaad:
waar de schat is, daar is het hart van de mens.
Ook in het goede.
Hadden heiligen, tijdens hun leven,
hun hart niet waar hun schat was: God?
Ja.
En daarom, door alleen op God te vertrouwen,
konden zij door de aarde trekken zonder hun ziel te bederven
in de modder van de aarde."'
Reacties
Een reactie posten