toekomstig lot van Jakobus van Alfeüs 1
CCLVIII
JEZUS OPENBAART AAN JAKOBUS VAN ALFEÜS
WAT ZIJN MISSIE ALS APOSTEL ZAL ZIJN
258.1
Maria Valtorta:
'Het is hetzelfde uur, maar de volgende dag.
Jakobus, nog steeds teruggetrokken in de kloof van de berg,
zit in een balvorm, met zijn hoofd tot aan zijn opgetrokken knieën bijna,
omklemd door z'n armen, en is ofwel in diepe meditatie, ofwel in slaap.
Ik begrijp het niet helemaal.
Hij is in ieder geval onverschillig voor wat er om hem heen gebeurt,
namelijk het gevecht tussen twee grote vogels,
die om een of andere reden hevig vechten in de wei.
Ik denk dat het bergpatrijzen, korhoenders of fazanten zijn,
want ze zijn zo groot als een haan, met bonte veren,
maar hebben geen kuif, alleen een helm van koraalrood vlees
bovenop de kruin en aan de wangen,
en ik verzeker je dat, ook al is de kop klein,
de snavel als een stalen punt moet zijn.
Vederen en bloed vliegen door de lucht en vallen op de grond,
te midden van een luirdruchtig gekakel dat het fluiten, trillen en kwetteren
tussen de takken heeft verstomd. Misschien kijken de vogeltjes
naar dit felle steekspel...
Jakobus hoort niets.
Jezus hoort het echter wel,
en daalt af van de bergtop waar Hij naartoe was geklommen,
en in zijn handen klappend, scheidt Hij de twee strijders, die bloedend vluchten,
de een naar de helling, de ander naar de top van een eik, waar hij zijn veren glad strijkt,
die nog steeds overeind staan en in de war zijn.
Jakobus heft zijn hoofd niet op.
Ook niet voor het lawaai van Jezus,
die glimlachend nog een paar stappen zet en midden in de weide blijft staan.
Zijn witte gewaad lijkt aan de rechterkant rood getint,
zo intens is het rood van de zonsondergang!
Het lijkt wel alsof de hemel in brand staat!
En toch moet Jakobus niet slapen,
want zodra Jezus fluistert - en Hij fluistert letterlijk: "Jakobus, kom hier!" -
heft hij zijn hoofd op van zijn knieën, maakt de touwen die zijn armen zijn los,
staat op en komt naar Jezus toe.
Hij blijft voor Hem staan, een paar stappen verderop,
en kijkt Hem aan.
Jezus kijkt hem ook aan, ernstig maar bemoedigend,
met een glimlach die noch op Zijn lippen noch in Zijn ogen te zien is,
maar toch zichtbaar is.
Hij staart hem aandachtig aan,
alsof Hij elke reactie en emotie van Zijn neef en apostel wil lezen,
die, net als gisteren, op de drempel van een openbaring staande, bleek wordt en nog bleker
- tot hij één kleur wordt met zijn linnen gewaad - wanneer Jezus Zijn armen opheft
en Zijn handen op zijn schouders legt, en zo blijft staan, met Zijn armen uitgestrekt.
Zo lijkt Jakobus wel een hostie.
Alleen zijn zachte donkerbruine ogen en zijn bruine baard
geven kleur aan dat aandachtsvolle gezicht.'
Reacties
Een reactie posten