Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd
231.3
Maria Valtorta:
'"Vertel Me wat ze doet!"
"Wel"... Martha, enigszins gerustgesteld door Jezus' zekerheid, spreekt nu ordelijker.
"Wel... sinds mijn komst, heeft Maria het huis en de tuin niet meer verlaten,
ook niet om met haar boot het meer op te varen.
En haar verzorgster vertelde me, dat ze daarvoor zelfs bijna nooit nog naar buiten ging.
Deze verandering lijkt met Pasen te zijn begonnen.
Maar vóór mijn komst, kwamen er wel nog steeds mensen bij haar op bezoek,
en zij stuurde ze niet altijd weg.
Soms gaf ze wel het bevel dat niemand erdoor mocht.
En dat leek dan een bevel voor altijd.
Maar dan sloég ze zelfs de bedienden, gegrepen door een onterechte woede,
als ze, na de stemmen van bezoekers te hebben gehoord en naar de hal te zijn gerend,
ontdekte dat ze al weg waren.
Sinds mijn komst, heeft ze dat niet meer gedaan.
Ze zei de eerste nacht tegen me, en daarom had ik zoveel hoop:
'Houd me vast, bind me desnoods vast. Maar laat me niet meer naar buiten gaan!
Laat mij niemand anders zien dan jou en mijn verpleegster.
Want ik ben ziek en ik wil beter worden.
En degenen die naar me toe komen, of die willen dat ik naar hen toe ga,
zijn als koorts-poelen: ze maken me steeds zieker.
Maar... ze zijn zo mooi, van uiterlijk, zo bloemrijk en vol gezang,
met vruchten die er zo aangenaam uitzien, dat ik ze niet kan weerstaan,
omdat ik een ellendeling ben, een ellendeling ben ik...
Jouw zus is zwak, Martha!
En er zijn mensen die misbruik maken van haar zwakte
om haar verwerpelijke dingen te laten doen
waarmee iets in mij niet instemt, een rest...
De enige rest die ik nog heb
van mijn moeder, mijn arme moeder...'
en ze huilde en huilde.
En dat deed ik dan ook, haar tegenhouden.
Met zachtheid, in de uren dat ze het meest redelijk was.
Met vastberadenheid, in de uren waarin ze een gekooid wild beest leek.
Ze is nooit tegen me in opstand gekomen.
Sterker nog,
zodra de momenten van de grootste verleiding weer voorbij waren,
kwam ze huilend aan mijn voeten liggen, met haar hoofd in mijn schoot,
en zei: 'Vergeef me, vergeef me!'
En als ik haar vroeg: 'Maar wat dan, zus? Je hebt me geen pijn gedaan'...
antwoordde ze: 'Omdat ik jou laatst, of gisteravond, toen je me zei: 'Jij gaat hier niet weg!'
in mijn hart haatte, je vervloekte en je dood wenste!'
Is ze niet zielig, Heer?
Maar... is ze gek geworden?
Heeft haar ondeugd haar gek gemaakt?
Ik denk soms dat een minnaar haar een drankje heeft gegeven,
om haar aan lust met hem verslaafd te maken,
en dat het in haar hersenen is gekomen..."
"Neen. Geen drankje. Geen waanzin.
Het is iets heel anders."'
Reacties
Een reactie posten