hart aan God gegeven
11.4-5
Maria Valtorta:
'De tot dan toe vastgehouden tranen wellen op
en vallen in Maria's trillende mond,
en ze werpt een smekende blik naar haar lerares.
"Maria heeft zich aan de Heer beloofd voor Zijn Glorie en voor het heil van Israël.
Ze was nog maar een klein meisje dat nauwelijks kon spellen,
en had zichzelf al gebonden door een gelofte!"
zegt Hanna ter hulp.
"Is dat dan de reden dat je huilt? Niet uit verzet tegen de Wet?"
"Hierom, niets anders. Ik gehoorzaam u, priester van God."
"Dit bevestigt wat mij altijd over jou verteld werd... Hoeveel jaar ben jij maagd geweest?"
"Altijd, geloof ik. Ik was nog niet in deze tempel en had mezelf al aan de Heer gegeven."
"Maar ben jij niet dat kleine meisje dat twaalf winters geleden kwam, om mij te vragen in te treden?"
"Dat ben ik."
"En hoe kun je dan zeggen dat je toen al aan God toebehoorde?"
"Als ik terugkijk...
vind ik mezelf altijd als maagd…
Ik kan me de tijd niet herinneren dat ik werd geboren.
Noch hoe ik van mijn moeder begon te houden
en tegen mijn vader zei: 'O vader, ik ben je dochter'...
Maar ik herinner me wel, en ik weet ook niet wanneer het begon, dat ik mijn hart aan God gaf.
Misschien was het bij de eerste kus die ik wist te geven,
bij het eerste woord dat ik wist uit te spreken,
bij de eerste stap die ik wist te zetten...
Ja, daar is het!
Ik geloof dat ik de eerste herinnering aan Liefde vind bij m'n eerste zelfverzekerde stapjes...
Mijn huis...
mijn huis had een tuin vol bloemen...
het had een boomgaard en velden...
en daar was een bron, onderaan, onder de berg...
en die stroomde uit een holle rots, die een grot vormde...
ze was vol met lange, dunne grassen, die overal vandaan regenden
als kleine groene watervallen en leken te huilen,
omdat de lichte bladeren, bladeren die op borduurwerk leken,
allemaal een druppel water hadden die, toen hij viel,
klonk als een klein belletje.
En de lente zong ook!
En er zaten vogels op de olijf- en appelbomen
die aan de oever boven de bron stonden,
en witte duiven kwamen zich wassen
in de heldere spiegel van de fontein...
Ik herinnerde me dit alles niet meer!
Omdat ik mijn hele hart in God had gelegd
en - behalve mijn vader en moeder, geliefd in leven en dood -
al het andere op aarde uit mijn hart was verdwenen...
Maar u doet me erover nadenken, eerwaarde...
Ik moet zoeken naar het moment waarop ik mezelf aan God gaf...
en zie, de dingen van de eerste jaren keren terug...
Ik hield van die grot!
Want zoeter dan het gezang van het water en de vogels
hoorde ik een Stem die tegen mij zei:
'Kom, Mijn Geliefde!'
Ik hield van die kruiden vol klankdruppels,
omdat ik daarin het teken van mijn Heer zag
en ik verloor mezelf door tegen mezelf te zeggen:
'Zie je hoe groot jouw God is, m'n ziel?
Hij, die de ceders van de Libanon maakte voor de adelaar,
heeft deze kleine blaadjes gemaakt die buigen onder het gewicht van een mug,
voor de vreugde van jouw oog! En als een schuilplek voor jouw kleine voetje!'
Ik hield van die stilte van pure dingen:
de lichte wind...
het zilveren water...
de netheid van de duiven...
Ik hield van die vrede die over het grotje waakte,
die neerregende van de appelbomen en olijfbomen,
vandaag alle in bloei, dan weer allemaal schitterend van het fruit...
En ik weet het niet...
het leek mij dat de Stem tegen mij, tegen mij zei:
'Kom, jij, bevallig olijfje!
Kom, jij, lieve appel!
Kom, jij, verzegelde fontein!
Kom, jij, Mijn duifje!...'
Zoet, de liefde van vader en moeder...
lief, hun stem die mij roept...
maar die! die!!
Oh! in het Aards Paradijs, denk ik,
dat zij het zó gehoord heeft, degene die schuldig was,
en ik weet niet hoe zij de voorkeur heeft kunnen geven aan een gesis
boven deze Stem van Liefde,
hoe zij heeft kunnen verlangen naar enige andere kennis
dan van God...
Met lippen die nog naar moedermelk smaakten,
maar met een hart bedwelmd door hemelse honing, zei ik toen:
'Kijk dan, ik kom! De Uwe! Geen andere Heer zal mijn vlees hebben,
behalve Gij, Heer, net zoals mijn geest geen andere Liefde.'
En door dat te zeggen
leek het mij dat ik dingen herhaalde die al gezegd waren
en een ritueel uitvoerde dat al uitgevoerd was,
noch was de uitverkoren Bruidegom mij vreemd,
omdat ik Zijn hartstocht al kénde.
en mijn zicht/zien/inzicht werd gevormd door Zijn Licht
en mijn vermogen om lief te hebben volbracht in Zijn Armen.
Wanneer?...
Ik weet het niet.
Voorbij het leven, zou ik zeggen.
Omdat ik het gevoel heb dat ik Hem altijd heb gehad,
en dat Hij mij altijd heeft gehad,
en dat ik ben omdat Hij mij heeft gewild
voor de vreugde van Zijn Geest
en de mijne...
Vandaag gehoorzaam ik, eerwaarde.
Maar vertel me hoe ik moet handelen...
Ik heb geen vader en geen moeder.
Wees gij mijn gids."
"God zal jou een echtgenoot geven,
en een heilige zal het zijn, omdat jij jezelf aan God toevertrouwt.
Je zult hem van jouw gelofte vertellen."
"En zal hij het accepteren?"
"Ik hoop het.
Bid, O dochter, dat hij je hart mag begrijpen.
Ga, nu. Moge God jou altijd vergezellen."
Maria trekt zich, samen met Hanna, terug.
En Zacharias blijft bij de hogepriester.
Zo eindigt het visioen.'
Reacties
Een reactie posten