belang van gebed en eerbetoon
20.6
Maria zegt:
'Ik zal niet veel praten
want jij bent erg moe, arme dochter.
Ik vestig alleen je aandacht, en die van de lezer,
op de constante gewoonte van Jozef en mezelf
om altijd de eerste plaats te geven
aan het gebed.
Vermoeidheid, haast, zorgen, bezigheden...
het waren dingen die het gebed nooit in de weg stonden,
maar het integendeel veeleer hielpen.
Het gebed was de koningin van onze bezigheden, altijd.
Onze verfrissing, ons licht, onze hoop.
Als het in droevige uren troost was,
dan was het in gelukkige uren zang.
Maar het was áltijd de constante vriendin van onze ziel.
Dat wat ons scheidde van de aarde, van de ballingschap,
en ons omhoog bracht, naar de hemel, het thuisland.
Niet alleen ik, die nu God in mij had
en alleen maar naar mijn schoot hoefde te kijken
om het Heilige der Heiligen te aanbidden...
maar ook Jozef voelde zich verenigd met God toen hij bad,
omdat ons gebed ware aanbidding was van heel ons wezen,
dat met God versmolten-zijn in het aanbidden
en door Hem omarmd worden.
En zíe dat toch: zelfs ik niet, nu ik de Eeuwige in mij had,
voelde mij vrijgesteld van eerbiedig eerbetoon aan de Tempel.
De allerhoogste heiligheid... ontslaat ons niet
van het gevoel dat we niets zijn, vergeleken met God,
en van het verootmoedigen van dit niets
- omdat Hij het is die het ons verleent -
in een voortdurende hosanna
tot Zijn Glorie.'
Reacties
Een reactie posten