de vallei en de stad
LXVII
HET WONDER van de GEBROKEN MESSEN bij de VISPOORT
67.1
Maria Valtorta:
'Ik zie Jezus, alleen, door een schaduwrijke weg gaan.
Het lijkt wel een frisse vallei, vol water — ik zeg vallei,
omdat het enigszins tussen kleine verheffingen van de grond ligt,
met in het midden een kleine rivier.
De plaats is 's morgens verlaten.
De dag moet net zijn aangebroken,
een mooie heldere dag in de vroege zomer,
het gezang van de vogels in de bomen is al verdwenen
— vooral olijfbomen, voornamelijk op de linkerheuvel,
terwijl de andere, kalere, lage mastiekstruiken, doornige acacia's, agaves e.d. heeft —
enkel het klagende gekoer van wilde duiven,
die nestelen in de spleten van de meest kale berg,
verder is er niets te horen.
Zelfs het kleine stroompje,
met heel weinig water en beperkt tot het midden van de rivierbedding,
lijkt geen enkel geluid te maken en verdwijnt en reflecteert
het omringende groen in het water,
waardoor het donker smaragd lijkt.
Jezus steekt een primitieve brug over
- een halfgeschaafde boomstam, over de stroom geworpen,
zonder leuning, zonder veiligheid -
en gaat verder op de andere oever.
Nu kun je muren en stadspoorten zien
en je kunt ook groente- en voedselhandelaren zien
die zich bij de nog gesloten poorten verdringen
om de stad binnen te komen.
Er is veel gebalk tussen de ezels en ze vechten onderling;
zelfs hun eigenaren maken geen grapjes.
Beledigingen en zelfs sommige knuppels
vliegen niet alleen op de ruggen van de ezels,
maar ook op mensenhoofden.'
Reacties
Een reactie posten