parabel van het paard
LXI
JEZUS GEEFT GELD AAN DE ARMEN
-NA DE PARABEL VAN HET LIEVELINGSPAARD-
61.1
Maria Valtorta:
'Jezus zit op een stapel manden en touwen,
op de drempel aan de tuin van het huis van Petrus' schoonmoeder.
De tuin staat vol met mensen, en anderen bevinden zich aan de oever van het meer,
sommigen zittend op de oever, sommigen op boten die aan wal zijn getrokken.
Het lijkt erop dat hij al een tijdje aan het praten is,
want het vragenstellen is begonnen.
Ik hoor:
"...Jullie zullen vast al vaak in je hart aldus hebben gedacht. Maar zo is Hij niet. Het ontbrak de Heer nooit aan vriendelijkheid jegens Zijn volk. Niettegenstaande het feit dat het hun duizend en tienduizend keren wel ontbrak om trouw te blijven aan Hem... Luister naar deze gelijkenis, het zal jullie helpen om het te begrijpen.
Een koning had vele, vele mooie paarden in zijn stallen.
Maar van één daarvan hield hij met een bijzondere liefde.
Hij had al naar hem verlangd, nog voor hij hem had.
En toen hij hem eenmaal had, liet hij hem weiden op een plek vol verrukkingen,
en hij ging erheen, met zijn oog en hart kijkend naar die favoriet van hem,
ervan dromend om van hem het wonder van zijn koninkrijk te maken.
En toen het paard, rebellerend tegen zijn bevelen, ongehoorzaam was,
en naar een andere meester vluchtte, dan beloofde de koning,
zelfs in zijn pijn en in zijn strengheid,
de rebel vergeving na de straf.
En trouw hieraan, zelfs van ver, waakte hij over zijn geliefde,
en stuurde hem geschenken en bewakers,
die de herinnering aan hem
in hun hart hielden.
Maar hoewel het paard leed onder zijn verbanning uit het koninkrijk,
was het niet, zoals de koning, constant in zijn liefde
en zijn verlangen naar volledige vergeving.
En soms was het goed, soms slecht...
en het goede was niet groter dan het slechte.
Meer zelfs, het tegenovergestelde was het geval.
TOCH was de koning geduldig,
en met verwijten en liefkozingen probeerde hij
om van zijn dierbaarste paard een volgzame vriend te maken.
Hoe meer de tijd verstreek, hoe huiveriger het beest werd.
Het riep zijn koning aan, het huilde om de zweepslagen van de andere meesters,
maar hij wilde niet écht van de koning zijn.
Hij had er de wil niet voor.
Uitgeput, onderdrukt, kreunend, zei hij niet: "Het is mijn schuld dat ik zo ben!"
Maar hij... beschuldigde zijn koning ervan!
Deze nam, na alles geprobeerd te hebben,
zijn toevlucht tot zijn laatste poging.
'Tot nu toe,' zei hij, 'heb ik boodschappers en vrienden gestuurd.
Nu zal ik mijn eigen zoon sturen. Die heeft hetzelfde hart als ik, en zal met dezelfde liefde spreken,
en zal liefkozingen en talenten hebben vergelijkbaar met die die ik had, zelfs nog zoeter,
omdat mijn zoon mijzelf is, maar gesublimeerd door de liefde.'
En hij stuurde zijn zoon.
Dit is de gelijkenis."'
Reacties
Een reactie posten