naar Johannes in Gethsemane
85.6
Maria Valtorta:
'"Waar gaan we heen?"
"Naar Johannes. Hij zal op dit hete uur in de Olijfhof zijn."
Ze gaan snel, schaduw zoekend in de straten die allemaal heet zijn van de grote zon.
Ze passeren de stoffige buitenwijk, steken de poort van de muren over,
gaan het schitterende platteland in en van hieruit naar de olijfbomen,
en van de olijfbomen naar het huis.
In de keuken, koel en donker door het gordijn voor de deur, zit Johannes.
Hij dommelt, en Jezus roept hem: "Johannes!"
"Jij, meester? Ik verwachtte Jou vanavond pas."
"Ik ben eerder gekomen. Hoe heb je je gevoeld, Johannes?"
"Als een lam dat zijn herder heeft verloren.
En ik sprak met iedereen over Jou, omdat over Je praten Je al wat dichterbij brengt.
Ik sprak over Jou met enkele familieleden, met kennissen, met vreemden. Ook met Anna...
En met een kreupele die ik te vriend gemaakt heb met drie denarii.
Ze hadden ze aan mij gegeven en ik gaf ze aan hem.
En ook met een arme vrouw, zo oud als mijn moeder,
die aan het huilen was bij een groep vrouwen, in een deuropening.
Ik vroeg: 'Waarom huil je?'
Ze vertelde me: 'De dokter vertelde me:
Uw dochter is ziek van de tuberculosis. Leg er u bij neer.
Bij de eerste stormen van oktober zal ze sterven...
Het enige wat ik heb, is zij: ze is mooi, braaf en vijftien jaar oud!
Ze zou in de lente gaan trouwen en in plaats van de trouwkist...
moet ik het graf voor haar klaarmaken!'
Ik vertelde haar:
'Ik ken een dokter die je kan genezen als je geloof hebt!'
'Niemand kan haar meer genezen. Drie artsen hebben haar gezien. Ze spuugt al bloed!'
'De mijne,' zei ik, 'is geen dokter zoals de uwe. Hij geneest niet met medicijnen.
Maar met Zijn kracht. Hij is de Messias...'
Een oude dame zei toen: 'Oh! geloof me, Elisa!
Ik ken een blinde die door Hem is gaan zien!'
En het moedertje ging toen van wantrouwen naar hoop
en wacht nu op je... Heb ik het goed gedaan?
Ik heb niets anders gedaan dan dit."
"Je hebt het goed gedaan.
En vanavond gaan we naar je vrienden.
Heb je Judas nog gezien?"
"Niet meer, Meester.
Maar hij stuurde mij eten en geld, dat ik aan de armen gaf.
En hij stuurde mij om te zeggen dat ik ze ook moest gebruiken, omdat ze van hem waren."
"Dat is waar. Johannes, morgen gaan we richting Galilea..."
"Ik ben er blij mee, Meester!
Ik denk aan Simon Petrus. Wie weet wat Jou te wachten staat!
Zullen we ook door Nazareth gaan?"
"Ook, en we zullen daar stoppen,
wachtend op Petrus, Andreas en je broer Jakobus."
"Oh! zullen dan we in Galilea blijven?"
"We blijven daar een tijdje."
Johannes is er blij mee.
En bij zijn geluk houdt alles op.'
Reacties
Een reactie posten