tirannieke zoon door moeders geloof gered
122.13
Maria Valtorta:
'Degenen die naar huis gaan, gaan snel weg.
Degenen die blijven, gaan de derde kamer binnen en eten hun brood
of wat de discipelen hen in naam van God aanbieden.
Planken en stro zijn op rustieke schragen geplaatst
en de pelgrims kunnen daar slapen.
De gesluierde vrouw loopt met een snelle stap weg;
de andere, die vanaf het begin huilde en ook voortdurend terwijl Jezus sprak,
dwaalt onzeker rond en besluit dan weg te gaan.
Jezus gaat de keuken binnen om wat te eten te halen.
Maar amper is Hij begonnen met eten, of er wordt op de deur geklopt.
Andreas staat op, het dichtst bij de deur, staat op en loopt naar de binnenplaats.
Hij spreekt en komt dan terug.
"Meester, een vrouw, die die huilde, vraagt naar Jou.
Ze zegt dat ze weg moet en dat ze met Jou moet praten!"
"Maar hoe en wanneer kan de Meester dan nog eten, zo?" roept Petrus uit.
"Je had haar moeten zeggen dat ze later terug moest komen!" zegt Filippus.
"Stilte. Ik eet later wel. Gaan jullie maar door."
Jezus gaat naar buiten. Daar staat de vrouw.
"Meester... één woord... U hebt gezegd...
Oh! Kom achter het huis! Het doet pijn om U over mijn pijn te vertellen!"
Jezus gehoorzaamt haar zonder iets te zeggen.
Pas als Hij achter het huis is, vraagt Hhij: "Wat wilt u van mij?"
"Meester... Ik heb U eerder gehoord, toen U onder ons sprak... en later hoorde ik U opnieuw...
Het lijkt alsof U namens mij sprak... U zei, dat in elke fysieke of morele ziekte Satan zit...
Ik heb een zoon die ziek is in z'n hart. Had hij maar naar U geluisterd toen U over ouders sprak!
Hij is mijn kwelling. Hij is op het verkeerde pad geraakt, met slechte vrienden en is...
hij is precies zoals U zegt... een dief... voorlopig in huis... maar... hij is twistziek...
overheersend... zo jong als hij is, ruïneert hij zichzelf, met wellust en gebras.
Mijn man wil hem eruit gooien. Ik... ik ben de moeder... en ik lijd eraan tot stervens toe.
Ziet U hoe mijn borstkas op en neer gaat? Het is mijn hart, dat breekt van de pijn.
Ik wilde al met U praten sinds gisteren, want... ik hoop op U, mijn God.
Maar ik durfde niets te zeggen, het is zo pijnlijk voor een moeder om te zeggen:
'Ik heb een wrede zoon!'...
De vrouw huilt, gebogen en verdrietig, voor Jezus.
"Huil niet meer. Hij zal van zijn kwaal genezen."
"Als hij U kon horen, ja. Maar hij wil U niet horen. Oh! zo zal hij nooit genezen!"
"Maar hebt u geloof, voor hem? Hebt u de wil, voor hem?"
"En dat vraagt U mij? Ik kom uit Boven-Perea om U voor hem te smeken..."
"Ga dan nu. Wanneer u thuis aankomt, zal uw zoon u berouwvol tegemoet komen."
"Maar hoe dan?"
"Hoe? Gelooft u niet dat God kan doen wat Ik vraag?
Uw zoon is daar, Ik ben hier, maar God is overal.
Ik zeg tot God: 'Vader, heb medelijden met deze moeder.'
En God zal Zijn oproep, met donderende stem, in het hart van uw kind laten klinken.
Ga nu, mevrouw! Op een dag zal Ik door de straten van jullie streek lopen
en u, trots op uw zoon, zult Mij samen met hem tegemoet komen.
En wanneer hij nu op uw knieën huilt, u om vergeving vraagt en u vertelt over zijn mysterieuze strijd, waaruit hij met een nieuwe ziel is opgestaan, en u vraagt hoe dat gebeuren kon, zeg hem dan: 'Het is door Jezus dat jij herboren bent tot het Goede.'
Vertél hem over Mij! Als u tot Mij gekomen bent, is dat een teken dat u dat al weet. Laat hem het ook weten en aan Mij denken, om de kracht die hem redt bij zich te hebben. Tot ziens. Vrede aan de moeder die geloof had, aan de zoon die terugkeert, aan de gelukkige vader, aan het herenigde gezin. Ga nu!"
De vrouw vertrekt naar het dorp en alles eindigt.'
Reacties
Een reactie posten