Aglaë krijgt nieuwe kleren, mag slapen in Jozefs kamer
168.10
Maria Valtorta:
'"Het is nacht, dochter.
Je bent moe en verscheurd.
Kom. Rust uit. Morgen vertrek je...
Ik zal je naar een eerlijk gezin sturen.
Omdat er nu te veel mensen hier komen.
En ik zal je een jurk geven net als de mijne.
Je zult eruit zien als een Jodin.
En aangezien ik mijn Zoon pas in Judea zal terugzien
- want Pasen nadert, en we zullen met de nieuwe maan van april in Bethanië zijn -
zal ik Hem dan over jou spreken.
Kom naar het huis van Simon de Zeloot.
Je zult mij daar vinden, en ik zal je bij Hem brengen."
Aglaë huilt nog steeds.
Maar nu in vrede.
Ze is op de grond gaan zitten.
Ook Maria ging weer zitten.
En Aglaë legt haar hoofd op haar knieën,
en kust Maria's hand...
Dan kreunt ze: "Ze zullen me herkennen..."
"O! nee. Wees niet bang. Je kleding was nu te bekend.
Maar ik zal je voorbereiden op jouw reis naar Vergeving,
en je zult zijn als een maagd die ter bruiloft gaat:
anders en onbekend voor de menigte,
zich onbewust van de ritus.
Kom. Ik heb een kleine kamer naast de mijne.
Heiligen en pelgrims die ernaar verlangen God te bereiken, hebben daar verbleven.
Ze zal jou ook ontvangen."
Aglaë wil haar mantel en sluier weer oppakken.
"Laat liggen! Het zijn de kleren van de arme, verloren Aglaë.
Die is er niet meer...
en zelfs haar jurk mag niet blijven.
Die heeft te veel haat gevoeld...
en haat doet net zoveel pijn als zonde."
Ze gaan de donkere tuin in en komen Jozefs slaapkamer binnen.
Maria steekt het lampje aan dat op een plank staat,
liefkoost de berouwvolle vrouw opnieuw,
sluit de deur...
en gaat met haar lamp, met de drie vlammetjes, op zoek
naar een plek waar ze Aglaës gescheurde mantel naartoe kan brengen,
zodat geen enkele bezoeker hem morgen zal zien.'
Reacties
Een reactie posten