verlangen naar God bewijst dat God jou wil
200.3
Maria Valtorta:
'Aglaë bevrijdt zich van de tas op haar schouders
en knielt vervolgens met een grote tranenvloed aan Jezus' voeten.
Ze zakt naar de grond en huilt, haar hoofd rustend op haar gevouwen armen.
"Huil niet zo. Die tijd is voorbij.
Je had moeten huilen toen je God haatte.
Niet nu je van Hem houdt
en door Hem bemind wordt."
Maar Aglae blijft huilen...
"Geloof je niet dat dat zo is?"
Haar stem breekt door haar snikken heen:
"Ik hou van Hem, dat is waar, zoals ik ben, zoals ik kan...
Maar, hoezeer ik ook weet en geloof dat God goed is, ik durf niet te hopen Zijn Liefde te krijgen.
Ik heb te veel gezondigd... Ik zal ze misschien ooit ontvangen...
Maar ik heb nog zoveel om over te huilen...
Voorlopig ben ik alleen in mijn liefde.
Ik ben alleen...
Het is niet de wanhopige eenzaamheid van de voorbije jaren.
Het is een eenzaamheid vol verlangen naar God, dus niet langer wanhopig...
maar zo verdrietig, zo verdrietig..."
"Aglaë, wat ken je de Heer nog slecht!
Dit verlangen naar Hem bewijst je dat God je liefde beantwoordt!
Dat Hij je vriend is, dat Hij je roept, dat Hij je uitnodigt, dat Hij jou wil.
God is niet in staat om onverschillig te blijven voor het verlangen van Zijn schepsel,
omdat Hij, de Schepper en Heer van ieder schepsel, dat verlangen heeft aangewakkerd in dat hart.
Hij heeft het gewekt, omdat Hij met een voorkeurliefde de ziel liefhad die nu naar Hem verlangt.
Het verlangen naar God gaat altijd vooraf aan het verlangen van het schepsel,
omdat Hij de Meest Volmaakte is, en daarom is Zijn liefde veel noester
en vuriger dan de liefde van het schepsel."
"Maar hoe, hoe kan God mijn modder liefhebben?"
"Probeer het niet te begrijpen met je verstand.
Het is een afgrond van barmhartigheid, onbegrijpelijk voor het menselijk verstand.
Maar waar het verstand van de mens het niet begrijpen kan,
daar begrijpt de intelligentie van de liefde, de liefde van de geest, het wel.
Die begrijpt en treedt vol vertrouwen binnen in het Mysterie dat God is
en in het Mysterie van de relatie van de ziel met God.
Ga erin, zeg Ik je. Ga naarbinnen, omdat God het wil."
"O! Mijn Redder!
Maar ben ik dan werkelijk vergeven?
Ben ik werkelijk geliefd?
Moet ik dat geloven?"
"Heb Ik ooit tegen jou gelogen?"
"O! nee, Heer! Alles wat U me in Hebron hebt verteld, is uitgekomen.
U hebt mij gered, zoals Uw Naam zegt.
U zocht mij, arme verloren ziel.
U gaf deze ziel die ik dood in me droeg het leven.
U zei me dat als ik U zocht, ik U zou vinden. En het was waar.
U zei me dat U overal bent waar de mens een dokter en medicijnen nodig heeft. En het is waar.
Alles, alles wat U tegen de arme Aglaë zei, vanaf die woorden op die ochtend in juni
tot die andere woorden bij Aqua Spesiosa..."
"Dan moet je dit ook geloven."
"Ja, ik geloof het, ik geloof het! Maar zeg tegen me: 'Ik vergeef je!'"
"Ik vergeef je, in de naam van God en van Jezus."
"Dank U..."'
Reacties
Een reactie posten