Judas blij dat Hebron Jezus al kent als 'wreker der verdrukten'
CCXI
OPNIEUW NAAR HEBRON
THUIS VAN DE DOPER
211.1
Maria Valtorta:
Ze zitten allemaal in een kring in een bosje bij Hebron, etend en pratend.
Judas, die er nu zeker van is dat Maria naar zijn moeder zal gaan, is weer helemaal de oude
en probeert met duizend hoffelijkheden de herinnering aan zijn slechte humeur
bij zijn metgezellen en de vrouwen uit te wissen.
Hij moet in het dorp de inkopen hebben gedaan,
en zegt dat hij het sinds vorig jaar enorm veranderd vond: "Het nieuws van de prediking en wonderen van Jezus is tot hier doorgedrongen. En de mensen zijn over veel dingen gaan nadenken. Weet Je dat, Meester, dat een deel van dit land bezit is van Doras? En Chusas' vrouw heeft hier, in deze bergen, ook wat land en een eigen kasteel, van haar bruidsschat.
Het is duidelijk dat zij en Doras' boeren - want er moet hier iemand uit Esdrelon zijn - de het voorwerk hebben verricht. Doras beval stilte. Maar zij!... Ik denk niet dat zij zelfs onder marteling zouden zwijgen. Het heeft indruk gemaakt, de dood van de oude Farizeeër, weet je? Én de uitstekende gezondheid van Johanna, die hier voor Pasen is gearriveerd.
Ah! En om Jou te dienen was er ook nog Aglaë's minnaar. Weet Je dat ze wegliepd kort nadat wij hier voorbij waren gekomen? En hij is als een duivel tekeer gegaan, op vele onschuldige mensen, om wraak te nemen. En op die manier zijn de mensen Jou uiteindelijk gaan beschouwen als een wreker van de verdrukten, en verlangen ze naar Jou. De beteren, wil ik zeggen..."
"Wreker van de verdrukten! Jazeker, dat ben Ik.
Maar bovennatuurlijk dan. Niemand van hen die Mij zien met scepter en bijl in de hand, als koning en beul overeenkomstig de geest van de Aarde, ziet het juist.
Maar zeker wel ben Ik gekomen om te bevrijden van onderdrukking. Van de zonde, de meest ernstige [onderdrukking], van ziekte, van verlatenheid, van onwetendheid en van egoïsme.
Velen zullen leren dat het niet juist is om te onderdrukken omdat het lot je hoger heeft geplaatst. Maar dat je in plaats daarvan je hoogte moet gebruiken om degenen die lager zijn te verheffen."
"Lazarus doet dat! En Johanna ook.
Maar dat zijn er twee, tegen honderden..."
zegt Filippus troosteloos.
"Rivieren zijn niet zo breed bij hun bron als bij hun monding.
Een paar druppels, een straaltje water, maar dán...
Er zijn rivieren die bij hun monding op zeeën lijken!"
"De Nijl, hè?!... Je Moeder vertelde mij over toen jullie naar Egypte ging. Ze zei altijd: 'Een zee, geloof me, een blauwgroene zee! Hem zien overstromen, is echt een droom!'... En ze vertelde me over de planten die uit het water leken op te rijzen, en daarna van al dat groen dat uit het water leek te groeien wanneer het zich terugtrok..."
zegt Maria van Alfeüs.
"Nou, Ik zeg jullie: net zoals de Nijl bij zijn bron een stroompje water is, en dan de reus wordt die hij is, zo zal het kleine draadje, nu, van grootsheid, dat zich met liefde en uit liefde over de geringsten buigt, later een menigte worden. Johanna, Lazarus, Martha nu, en dán... hoevelen, hoevelen!"
Jezus lijkt al degenen te zien die barmhartig zullen zijn voor hun medebroeders,
en Hij glimlacht, verzonken in Zijn visioen.
Reacties
Een reactie posten