verjaardag van vertrek naar Bethlehem, destijds
303.3
Maria Valtorta:
"Ze keren terug naar het kleine kamertje
en Jezus gaat op de kist bij de tafel zitten
en drinkt Zijn melk.
Maria kijkt Hem aan en glimlacht.
Ze glimlacht nog breder, wanneer ze Jezus' reistas aanraakt
en hem op een plank legt.
Ze glimlacht zo breed...
dat Jezus vraagt:
"Wat denk je nu?"
"Ik bedenk dat Jij precies op de verjaardag
van ons vertrek naar Bethlehem bent aangekomen...
Ook toen waren er reistassen en open koffers,
vol met kleren en vooral kleine doeken...
voor een Kleintje dat geboren kon worden, zo zei ik tegen Jozef;
dat geboren moest worden, zei ik tegen mezelf,
in Bethlehem van Judea...
Ik hield het diep verborgen
omdat Jozef er bang voor was...
Hij wist nog niet dat de geboorte van de Zoon van God
niet onderworpen zou zijn - noch voor Hemzelf, noch voor Zijn Moeder -
aan de gebruikelijke ellende van de bevalling.
Hij wist het niet... en hij was bang
om ver van Nazareth te zijn,
met mij in die toestand.
Ik was er zeker van dat ik daar Moeder zou worden...
Jij jubelde te zeer in mij, door de vreugde van Je nakende geboorte,
en geboorte van de verlossing, dan dat ik mij had kunnen vergissen.
De engelen cirkelden rond de vrouw die Jou droeg, mijn God...
Het was niet langer de verheven aartsengel,
niet de liefste engel die mijn beschermer is,
zoals het de maanden ervoor was geweest.
Nu waren het koren en koren van engelen,
die vanuit Gods Hemel naar mijn kleine Hemel schoten:
mijn baarmoeder, waar Jij was...
Ik hoorde ze zingen
en hun woorden van licht uitwisselen...
woorden vol verlangen om Jou te zien, God in menselijke gedaante...
Ik hoorde ze tijdens hun liefdesvluchten uit het Paradijs,
om Jou te komen aanbidden, Liefde van de Vader,
verborgen in mijn baarmoeder.
En ik probeerde hun woorden te leren... hun melodieën... hun hartstocht...
Maar een mens kan de zaken van de hemel niet uitspreken noch bezitten..."
Jezus luistert naar haar,
Hij zittend, zij staande aan de tafel,
zij dromend zoals Hij zalig is...
haar kleine hand rustend op het donkere hout,
de andere rustend op haar hart...
En Jezus bedekt haar witte, zachte handje
met Zijn lange, donkere hand,
en Hij knijpt dat heilige handje
stevig in Zijn vuist...
En wanneer ze zwijgt, bijna spijt hebbend
dat ze niet de woorden, liederen en vurigheid van de engelen heeft kunnen leren,
zegt Jezus: "Al de woorden van de engelen, al hun liederen, al hun vurigheid,
zouden Mij op aarde niet gelukkig hebben gemaakt,
als Ik die van jou niet had gehad, mijn Moeder!
Jij hebt Mij toegesproken en gegeven,
wat zij Mij niet konden geven.
Niet jij hebt van hen,
maar zij hebben van jou geleerd!"
Reacties
Een reactie posten