aan graf van Hillel, Judas belaagd door oude vrienden (onder wie Saulus...)
340.7
M. Valtorta:
Ze gaan Giscala binnen,
een uitgestrekte, prachtige en goed onderhouden stad.
Er moet daar een bloeiend rabbijnscentrum zijn, want ik zie her en der geleerden
in groepjes bijeen, met studenten in de buurt, die naar hun lezingen luisteren.
De doorgang van de apostelen, m.n. die van de Meester,
wordt zeker opgemerkt en velen sluiten zich bij de groep aan.
Sommigen spottend, anderen roepend naar Judas van Keriot.
Maar hij blijft aan de zijde van de Meester,
en draait zich niet eens om.
Ze verlaten de stad
en gaan naar het huis vlakbij het graf van Hillel.
"Wat een brutaliteit!"
"Hij is roekeloos en onbeschaamd!"
"Hij provoceert ons."
"Heiligschenner!"
"Zeg het hem, Uzziel."
"Ik ga mezelf niet contamineren.
Zeg jij het hem, Saulus, jij bent maar een student!"
"Nee. Laten we Judas waarschuwen. Ga hem halen!"
De jongeman, Saulus genaamd, een magere, bleke man,
alleen maar ogen en mond, gaat naar Judas en zegt:
"Meekomen. De rabbijnen willen jou spreken."
"Ik kom niet. Ik blijf waar ik ben.
Laat me met rust."
De jongeman keert terug
en doet verslag aan zijn leiders.
Ondertussen bidt Jezus, te midden van Zijn volgelingen,
eerbiedig bij het witgekalkte graf van Hillel.
De rabbijnen naderen langzaam, als stille slangen, en observeren;
en twee bebaarde, oude mannen trekken aan Judas' gewaad,
die, terwijl hij bidt, merkt dat hij niet langer de bescherming heeft
van de paren van zijn andere metgezellen.
"Wat willen jullie nu eigenlijk?"
vraagt hij zachtjes maar gepikeerd.
"Mogen we niet eens bidden?"
"Nog één woord. Dan laten we je met rust."
Simon Zeloot en Thaddeüs draaien zich om
en brengen het gefluister tot zwijgen.
Judas doet een paar stappen achteruit
en vraagt: "Wat willen jullie?"
Ik begrijp niet wat de oudere man in zijn oor fluistert.
Maar ik zie Judas' gebaar duidelijk voor me:
hij stapt abrupt opzij en zegt: "Nee!
Laat me met rust, jullie vergiftigde zielen.
Ik ken jullie niet! Ik wil jullie niet meer kennen!"
De rabbijnen lachen spottend en dreigend:
"Pas op wat je doet, dwaze jongen!"
"Passen julle op. Ga weg!
Ga het aan de anderen vertellen. Aan alle anderen.
Begrijpen jullie? Praat met wie je wilt.
Niet met mij, jullie demonen,"
en hij laat ze in de steek.
Hij sprak zo luid dat de apostelen zich verbaasd omdraaiden.
Jezus niet.
Zelfs niet voor het spottende gelach en de belofte:
"We zullen elkaar weerzien, Judas, zoon van Simon!
We zullen elkaar weerzien!"...
die in de stilte van de plek nagalmt.
Judas keert terug naar zijn plaats.
Sterker nog, hij duwt Andreas, die naast Jezus was gaan zitten, opzij,
en pakt, bijna alsof hij zich verdedigd en beschermd wil voelen,
een hoek vast van Jezus' mantel.'
Reacties
Een reactie posten