Ogla haatte halfbroers, en sloeg ergste van hen onvrijwillig dood
387.4
Maria Valtorta:
'"Heer... wij waren zeven broers van één vader,
maar ik ben geboren uit de vrouw met wie mijn vader in zijn weduwschap was getrouwd.
En ik werd door de andere zes gehaat.
Mijn vader liet, stervende, ons allen een gelijk deel na.
Maar toen hij gestorven was, kochten de zes de rechters om,
namen al mijn bezittingen af en joegen mij en mijn moeder weg
met schandelijke beschuldigingen.
Zij stierf toen ik zestien was... en ze stierf van de honger...
En sindsdien heb ik niemand meer die van mij houdt..."
Hij huilt van diep verdriet.
Hij herstelt zich en vervolgt:
"De zes, rijk en gelukkig, floreerden ook met mijn bezittingen.
En ik stierf van de honger, omdat ik ziek was geworden
terwijl ik voor mijn wegkwijnende moeder zorgde...
-
Maar God trof hen één voor één.
Ik vervloekte hen zo erg, haatte hen zo erg, dat het boze oog op hen viel.
Deed ik er verkeerd aan? Natuurlijk. Ik weet het. En ik wist het.
Maar hoe kon ik hen niet haten en vervloeken?
De jongste, die eigenlijk de derde was, weerstond alle vloeken.
Sterker nog, hij floreerde met de bezittingen van de andere vijf,
die hem rechtmatig waren toegekomen door de drie jongsten, die zonder vrouw stierven,
en door te trouwen met de vrouw van de oudste, die kinderloos stierf,
en op frauduleuze wijze waren afgenomen van de tweede, van de weduwe en wezen,
van wie hij door bedrog en leningen een groot deel van het bezit van hun vader had verworven.
En toen hij me toevallig op de markt tegenkwam,
waar ik heen ging als bediende van een rijke man,
om voedsel te verkopen,
beledigde hij me,
en sloeg me...
-
Op een avond kwam ik hem tegen...
Ik was alleen, hij was alleen.
Hij was een beetje dronken van de wijn...
En ik was dronken van herinneringen en van haat...
Tien jaar waren er verstreken sinds mijn moeder was overleden...
Hij beledigde mij, door de gestorven vrouw te beledigden...
Hij noemde haar een 'vuile teef' en mij een 'zoon van de hyena'...
Heer... als hij mijn moeder niet had geraakt...
had ik het nog wel verdragen.
Maar hij beledigde haar...
Ik greep hem bij zijn nek.
We vochten...
Ik wilde hem gewoon slaan...
Maar hij gleed uit en viel op de grond...
en de grond was bedekt met glad gras, hellend...
en daaronder was een ravijn, met een beekje...
Hij rolde, dronken als hij was, en viel...
Ze zoeken hem nog steeds, na al die jaren...
Maar hij ligt begraven tussen de rotsen en het zand
van een van de stroompjes van de Libanon.
-
Ik ben nooit naar mijn meester teruggekeerd.
En hij is nooit naar Caesarea Paneados [Filippi] teruggekeerd.
Ik ben weggegaan, zonder vrede…
Ah! De vloek van Kaïn!
Angst om te leven...
en angst om te sterven...
Ik werd ziek...
En toen...
hoorde ik over U...
Maar ik was bang...
Men zei dat U in het hart van de mens kon kijken.
En de rabbijnen van Israël zijn zo slecht!... Zij kennen geen genade...
U, Rabbi der rabbijnen, was mijn schrik...
En ik ben van U weggevlucht.
En toch zou ik graag vergeven willen worden..."
Hij huilt, ineengezakt op de grond...'
Reacties
Een reactie posten