Zijn brood en alle olijven voor arme Ogla
387.2
Maria Valtorta:
'De eerste die Jezus benadert,
terwijl Hij brood en olijven eet, is een man in vodden.
Hij vraagt om brood.
Jezus geeft hem Zijn brood mét alle olijven die Hij in Zijn hand heeft.
"En Jij dan? We hebben geen geld, weet Je..." merkt Petrus op.
"We hebben alles aan Ananias nagelaten..."
"Maakt niet uit. Ik heb geen honger. Maar wel dorst..."
De bedelaar zegt: "Er is een waterput hierachter.
Maar waarom gaf U mij alles?
U had me de helft van Uw brood kunnen geven...
Als U er geen hekel aan hebt om het terug te nemen..."
"Eet, eet! Ik kan wel zonder.
Maar om het vermoeden weg te nemen dat Ik u verafschuw,
geef Mij één hapje, met uw eigen handen, en Ik zal het opeten
om uw vriend te zijn..."
De man, met een droevig, levenloos gezicht,
fleurt op met een verraste glimlach en zegt:
"O! Dat is de eerste keer sinds ik arme Ogla ben geworden,
dat iemand mij zegt dat hij mijn vriend wil zijn!"
En hij geeft het stukje brood aan Jezus.
En vraagt: "Wie bent U? Wat is Uw naam?"
"Ik ben Jezus van Nazareth, de Rabbi van Galilea."
"Ah!... Ik heb anderen over U horen spreken...
Maar... bent U niet de Messias?"
"Dat ben Ik."
"En U, de Messias, bent zo vriendelijk voor bedelaars?...
De Tetrarch laat ons door zijn dienaren slaan, als hij ons op zijn pad ziet..."
"Ik ben de Redder. Ik sla niet, maar heb lief."
De man staart hem strak aan.
Dan begint hij langzaam te huilen.
"Waarom huilt u?"
"Omdat... ik gered wil worden..."'
Reacties
Een reactie posten