als God in ons woont, zullen wij in God wonen
CCCXCVII
AFSCHEIDSREDE
TOT DE GELOVIGEN VAN JUTTAH
397.1
Maria Valtorta:
'Jezus spreekt op een stille ochtend tot de mensen van Juttah.
O! Je zou werkelijk kunnen zeggen dat heel Juttah aan zijn voeten ligt.
Ook de herderskinderen, die gewoonlijk verspreid over de berghellingen te vinden zijn,
zijn er, aan de rand van de menigte, met hun schapen.
Ook die die gewoonlijk elders heen gaan,
naar de velden, de bossen, de markten, zijn er.
En kijk, daar zijn de zwakke oude mannen!
En daar, vlak om Jezus heen, de lachende kleintjes!
En daar, de jonge meisjes!
En daar, de pasgetrouwden!
En daar, zij die op het punt staan te bevallen!
En daar, zij die hun baby's aan de borst houden!
Heel Juttah!
De berguitloper die naar het zuiden uitsteekt, is het amfitheater,
dat deze serene bijeenkomst van mensen verwelkomt.
Zittend in het gras of schrijlings op de droge stenen muur,
met de wijde horizon om hen heen, de oneindige hemel boven hen,
de beek beneden die lacht en glinstert in de ochtendzon,
de schoonheid van de met gras begroeide, beboste bergen
die aan alle kanten oprijzen, luisteren zij, Juttah's volk,
naar de Meester die spreekt.
Hij staat rechtop,
leunend tegen een torenhoge walnotenboom,
Zijn witte linnen gewaad tegen de donkere stam,
Zijn gezicht glimlachend, Zijn ogen stralend van de vreugde geliefd te zijn,
Zijn haar gloeiend in de zon die Hem vanuit het oosten streelt.
In een eerbiedige, aandachtige stilte,
slechts onderbroken door het gezang van de vogels en het geluid van de beek beneden,
dringen Zijn woorden langzaam tot hun harten door,
en vult Zijn volmaakte stem de serene lucht met zijn muzikaliteit.
-
Terwijl ik schrijf, herhaalt hij nogmaals
de noodzaak om de Tien Geboden te gehoorzamen,
geperfectioneerd, in de toepassing ervan in de harten, door Zijn leer van de Liefde:
"om in de geest de woning te bouwen waarin de Heer zal wonen
tot de dag dat zij die trouw aan de Wet hebben geleefd
in Hem zullen gaan wonen in het Koninkrijk der Hemelen."
Zo zegt Hij.
En Hij vervolgt:
"Want zo is het.
De inwoning van God in de mensen, en van de mensen in God,
wordt bereikt door gehoorzaamheid aan Zijn Wet,
die begint met een gebod van liefde
en die een en al liefde is,
van het eerste tot het laatste gebod
van de Tien Geboden.
Dit is het ware huis dat God wil, waarin God woont,
en de beloning van de hemel, ontvangen voor gehoorzaamheid aan de Wet,
is het ware huis waarin jullie voor eeuwig met God zult wonen.
Want—denk aan Jesaja in zijn 56e hoofdstuk [Jes.66.1]—
God heeft geen woning op de aarde, die een voetbank is,
slechts een voetbank voor Zijn onmetelijkheid,
en heeft als troon de hemel, die nog altijd klein is,
een niets, om de Oneindige te bevatten,
maar Hij heeft haar in de harten van de mensen.
-
Alleen de allervolmaaktste goedheid van de Vader van alle Liefde
kan aan Zijn kinderen toestaan/toelaten/verlenen
om Hem te verwelkomen.
En het is een oneindig Mysterie,
dat zich steeds meer vervolmaakt,
dit kunnen de ene en drie-enige God zijn,
de meest zuivere drie-enige Geest,
in de harten van de mensen.
O! Wanneer, wanneer, o Heilige Vader,
zult Gij Mij geven/toestaan om van hen die U liefhebben
niet langer, niet langer alleen maar een Tempel voor onze Geest te maken,
maar - door Uw volmaaktheid van liefde en vergeving - een Tabernakel,
waarin elk trouw hart de Ark is waarin het ware Brood der Hemelen is,
zoals het in de schoot was van de Gezegende onder alle vrouwen?'
Reacties
Een reactie posten