God is in de eenvoudigen, in hen die zich bekeren...


-schaapherdertjes van Fátima-

397.2

M. Valtorta:

'O, geliefde discipelen van Juttah,

die voor Mij zijn voorbereid door een rechtvaardige,

houd de profeet in gedachten, en dat wat hij zegt, en het is de Heer die spreekt,

tot hen die lege stenen tempels bouwen, waarin geen gerechtigheid en liefde is,

en die niet in zichzelf de Troon van hun Heer weten te bouwen

door Zijn Geboden te gehoorzamen.


De profeet zegt [Jes.66:1]:

"Wat is dat huis dat jullie voor Mij zullen bouwen,

en wat is die plaats van Mijn rust?"


En hij bedoelt:

"Denken jullie dat jullie Mij bezitten,

omdat jullie simpelweg muren voor Mij bouwen?

Denken jullie dat jullie Mij vreugde kunnen schenken,

met valse praktijken, die niet overeenkomen met een heilig leven?"


Nee. God wordt niet bezeten door uiterlijkheden die wonden en leegte verbergen,

zoals een gouden gewaad dat over een melaatse wordt geworpen,

of over een kleien beeld, dat leeg is vanbinnen,

zonder het leven van de ziel.


En de Heer zegt, terwijl Hij, de Meester van de wereld,

Zijn armoede belijdt als een Koning met te weinig onderdanen,

als een Vader van te veel kinderen die wegvluchten van Zijn huis:

"Naar wie zal Ik kijken, tenzij naar de arme,

naar de berouwvolle van hart,

die trilt bij Mijn woord?"

[Jes.66:2]


Waarom trilt...?

Uit louter vrees voor God? Nee.

Uit diep respect, uit ware liefde.

Uit de nederigheid van een onderdaan, van een zoon/kind,

die zegt, die erkent, dat de Heer Alles is en hijzelf niets,

en die trilt van emotie bij het gevoel geliefd, vergeven

en geholpen te worden door het Al.


O, zoek God niet onder de hoogmoedigen! Hij is daar niet.

Zoek Hem niet onder de hardvochtigen. Hij is daar niet.

Zoek Hem niet onder de onberouwvollen. Hij is daar niet.


Hij is in de eenvoudigen,

in de zuiveren,

in de barmhartigen,

in de armen van geest,

in de zachtmoedigen,

in hen die huilen zonder te vloeken,

in hen die gerechtigheid zoeken,

in de vervolgden,

in de vredestichters.

Dáár is God.


En Hij is in hen die zich bekeren

en vergeving zoeken

en om verzoening vragen.


En al dezen offeren geen rund of schaap, 

of een offer van dit of dat,

om geprezen te worden, 

uit bijgelovige vrees voor straf,

uit trots om volmaakt te lijken.


Maar zij brengen het offer

van hun berouwvolle en nederige harten, 

als zij zondaren zijn;

van hun harten die gehoorzaam zijn,

tot op het punt van heldhaftigheid, 

als zij rechtvaardigen/vromen zijn.

Dát is wat de Heer behaagt.


Dát is het offer

waarvoor Hij Zijn onuitsprekelijke schatten

van Liefde en bovennatuurlijke Vreugde schenkt.


Aan de anderen geeft Hij Zichzelf niet.

Zij vinden al hun eigen, armzalige genoegens in abominaties,

en het is nutteloos voor God om hen langs Zijn wegen te roepen,

omdat zij al hun eigen weg hebben gekozen.


Hun zal Hij niets anders zenden dan verlatenheid, angst en straf,

omdat zij niet naar de Heer hebben geluisterd, niet gehoorzaamd hebben,

kwaad hebben gedaan voor de ogen van God,

met hun spot en met hun slechte keuzes."'


5 maart 1946

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

de geest - in íeder mens - snakt naar de hemel