Jezus geneest twintigtal van Jozefs landarbeiders
408.7
Maria Valtorta:
'"Maar waar is de Christus?
Wij wachten op Zijn genezing.
De discipelen hebben ons niet genezen,
maar ze zeiden tegen ons: 'Hij kan het.'
Wij zouden graag genezen worden, zodat we kunnen werken!"
zeggen enkelen van de zieke of invalide mannen.
"En geloven jullie dat de Christus dat kan?" vraagt Jezus,
terwijl hij Jozef gebaart om niet te zeggen dat Hij de Christus is.
"Wij geloven dat. Hij is de Zoon van God. Hij kan alles!"
"Ja. Hij kan alles... en Hij wil alles!" roept Jezus,
terwijl Hij imposant Zijn rechterarm uitstrekt
en laat zakken alsof Hij een eed aflegt.
En Hij eindigt met een krachtige uitroep:
"En het zij zo, tot glorie van God!"
En Hij loopt terug naar het huis.
Maar de genezenen, een stuk of twintig, schreeuwen,
stormen op Hem af en omsluiten Hem in een wirwar van handen,
uitgestrekt om Hem aan te raken, te zegenen, Zzijn handen en kleren te zoeken,
te kussen en te strelen.
Ze isoleren hem van Jozef, van iedereen...
En Jezus glimlacht, streelt hen en zegent hen...
Hij maakt zich langzaam los en verdwijnt, nog steeds achtervolgd, in het huis,
terwijl hosanna's opstijgen naar de hemel, die paars kleurt in de vroege schemering.'
Reacties
Een reactie posten