bezetene kon in Jeruzalem niet worden genezen
420.2
Maria Valtorta:
'"Maar heb je hem niet aan de priesters laten zien?" vraagt Judas aan Alfeüs.
"Jawel. Als een lading handelswaar, hebben ze hem helemaal naar Jeruzalem gebracht...
Een reis! Een reis!... Ik zeg je, ik was erbij, ik hoef niet meer naar de hel af te dalen
om te weten wat daar gebeurt en wat er gezegd wordt.
Maar het was nutteloos..."
"Zoals voorheen?"
"Erger nog!"
"En toch... de priester!..." roept Bartholomeüs uit.
"Maar wat wil je!... Het zou nodig zijn voor..."
"Wat? Ga verder..."
Stilte.
"Spreek dan. Wees niet bang. Ik zal je niet beschuldigen."
"Kijk... ik zei... maar ik wil niet zondigen... ik zei... dat... ja...
de priester zou kunnen slagen als... als..."
"Als hij een heilige was, bedoel je, en je durft het niet te zeggen.
Ik zeg je: oordeel niet. Maar wat je zegt is waar.
Het is pijnlijk waar!..." zegt Petrus.
Jezus zwijgt en zucht.
Een korte, ongemakkelijke stilte.
Dan durft er weer iemand.
"Als we hem ontmoeten, zult U hem dan genezen?
Zul U deze streek bevrijden?"
"U hoopt dat ik dat kan? Waarom?'
"Omdat U heilig bent."
"God is heilig."
"En U, die Zijn Zoon bent."
"Hoe kunt u dat weten?"
"Ach! Het gerucht gaat rond!
En bovendien zijn wij van de rivier,
en wij weten wat U drie maanden geleden hebt gedaan.
Wie kan een vloedgolf stoppen, als Hij niet de Zoon van God is?"
"En Mozes dan? En Jozua?"
"Zij handelden in Gods naam en tot Zijn eer.
En dat konden ze, omdat ze heilig waren.
U bent groter dan zij!"
"Zult U het doen, Meester?"
"Ik zal het doen, als we Hem ontmoeten."'
Reacties
Een reactie posten