Petrus verbolgen over heidense praktijken op meer
CDXLVIII
BIJEENKOMST PER BOOT OP HET MEER
-MET GELIJKENIS UITGELOKT DOOR PETRUS-
DIE OORDEEL MOET ONDERGAAN
448.1
Maria Valtorta:
'"Waarheen, Meester?" vraagt Petrus,
die de manoeuvres en voorbereidingen voor het uitvaren heeft voltooid
en met zijn boot aan het hoofd staat van de kleine vloot vol mensen,
klaar om de Meester te volgen.
"Naar Magdala! Dat heb Ik aan Maria van Lazarus beloofd."
"Ok!" antwoordt Petrus en brengt het roer in beweging om de juiste koers te nemen, overstag.
Johanna, die in de boot zit
met de Meester, de Heilige Maagd en Maria van Klopas,
plus Margziam, Matteüs, Jacobus van Alfeüs en iemand die ik niet ken,
zegt, wijzend naar de vele boten op het meer in de stille zomeravond,
die de vlammen van de zonsondergang tempert in cascades van paarse sluiers,
alsof er watervallen van amethisten of trossen bloeiende blauweregen uit de hemel neerdalen:
"Misschien zitten daar wel boten van de Romeinse vrouwen tussen.
Het is een van hun favoriete bezigheden om op deze kalme avonden
te doen alsof ze aan het vissen zijn."
"Die zullen er eerder rond het middaguur zijn,"
merkt de man die ik niet ken op.
"O nee, Benjamin.
Ze hebben snelle boten en ervaren schippers.
Ze komen helemaal hierheen."
"Voor dat wat ze dan te doen hebben..."
moppert Petrus en monkelt verder in zijn baard,
met de onverzettelijkheid van een visser die zeilen en vissen als een beroep beschouwt, niet als vermaak, bijna als een religie, die wordt beheerst door strikte en nuttige wetten, en voor wie het heiligschennis lijkt, dat oneigenlijke gebruik:
"Met hun wierook, bloemen, parfums en andere demonische dingen bederven ze het water;
met hun geluiden, kreten en taal verstoren ze de vissen;
met hun rokerige lichten jagen ze ze weg;
met hun vervloekte netten, achteloos uitgegooid, verwoesten ze de zeebodem en het nageslacht...
Het zou verboden moeten worden! Het Meer van Galilea behoort toe aan de Galileeërs,
en nog wel aan vissers, niet aan prostituees en hun handlangers...
Als ik de baas was! Dan zou ik jullie laten zien, stinkende heidense boten,
drijvende beerputten van ondeugd, zeilende holen om naar hier brengen,
op deze wateren van God, van onze God, naar Zijn kinderen, je..."
O! Kijk! Ze komen recht op ons af! Maar je kunt het zien!...
Maar dat je je dat kunt veroorloven... Maar..."'
Reacties
Een reactie posten