Petrus zachtjes berispt: is liefdevol noch nederig


448.2

Maria Valtorta:

'Jezus onderbreekt deze beschuldigende rede, 

waarin Petrus heel zijn Israëlitische en vissersgeest de vrije loop laat, 

blozend, verstikt door verontwaardiging, hijgend alsof hij tegen de krachten van de hel vecht,

en Hij zegt met een kalme glimlach:


"Maar het is maar goed dat jij niet de meester bent!

Gelukkig maar! Om hun en om jouw eigen bestwil. 

Omdat je hen zou beletten een goede impuls te volgen,

en dus een impuls die in hun geest is gegrift

— heidens, geef Ik toe, maar van nature goed—

in hun geest gegrift door de eeuwige Barmhartigheid,

die deze schepselen, die niet schuldig zijn aan het feit

dat ze in het Romeinse volk i.p.v. het Joodse geboren zijn,

met een oog van medelijden aankijkt, omdat Hij ze ziet

met een neiging tot dat wat goed is.

En je zou jezelf schade berokkenen,

omdat je een daad tegen de naastenliefde zou begaan

en een andere tegen de nederigheid..."


"Nederigheid? Dat zie ik niet... 

Als meester van het meer, zou ik ermee mogen doen wat ik wil."


"Nee, Simon van Jona! Nee, je hebt het mis!

Zelfs de dingen die ons toebehoren, behoren ons toe omdat God ze ons schenkt. 

Daarom moeten we, zelfs als we die maar voor een beperkte tijd bezitten, altijd bedenken 

dat er slechts Eén is die alles bezit, zonder beperking in tijd of mate. 

Er is slechts één Meester. 

Mensen... O! die zijn slechts beheerders van de kruimels van de grote schepping. 

Maar de Meester is Hij, Mijn Vader en de jouwe,

en de Vader van álle levende wezens. 

Bovendien is Hij God, 

daarom volmaakt in al Zijn gedachten en daden.

Dus, als God welwillend kijkt naar de beweging van deze heidense harten naar de Waarheid, 

en er niet alleen naar kijkt, maar deze beweging ook aanmoedigt,

en een steeds sterkere beweging naar het Goede teweegbrengt, 

denk je dan niet dat jij, mens, door hen te willen tegenhouden, 

uiteindelijk... God wilt beletten iets te doen?


En wanneer belemmer je iets? Wanneer jij het niet goed vindt. 

Je zou dus dit van je God denken: dat Hij iets doet wat niet goed is. 

Als het al niet goed is om je medemens te beoordelen,

omdat ieder mens zijn gebreken heeft

en zo'n beperkt vermogen tot kennis en oordeel

dat hij zeven van de tien keer een fout maakt,

dan is het absoluut kwaad om Gód te beoordelen op Zijn daden.

Simon, Simon! 

Lucifer wilde God beoordelen op een van Zijn Gedachten, 

door die als onjuist te bestempelen, 

en wilde God vervangen, 

omdat hij zichzelf rechtvaardiger achtte dan Hij. 

Je weet, Simon, waar Lucifer in is geslaagd.

En je weet dat al het leed dat wij lijden,

voortkomt uit die trots..."'


24 juni 1946

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

de geest - in íeder mens - snakt naar de hemel