vorstelijke bruiloft 5
13.5
Maria Valtorta:
'Alles is klaar.
Terwijl ze wachten, ik weet niet waarop, zegt Jozef
(hij zegt dit terwijl hij een beetje apart gaat staan van Maria):
"Ik heb in deze dagen aan jouw gelofte gedacht.
Ik heb je al gezegd dat ik het deel.
Maar... hoe meer ik erover nadenk,
hoe meer ik begrijp dat het tijdelijke Nazireeër zijn jou niet genoeg is,
ook al wordt het meerdere keren vernieuwd.
Ik heb je begrepen, Maria.
Ik verdien het woord van het Licht nog niet.
Maar ik krijg een gemompel.
En dit zorgt ervoor dat ik jouw geheim lees,
tenminste in de sterkste regels.
Ik ben een arme, onwetende man, Maria.
Ik ben een arme werker, ik ben niet geletterd en ik heb geen schatten.
Maar aan jouw voeten leg ik mijn schat.
Voor altijd.
Mijn absolute kuisheid.
Om het waard te zijn om naast jou te zijn:
Maagd van God, "mijn zuster, mijn bruid, gesloten hof, verzegelde bron" [Hooglied 4:12]
zoals onze voorouder [koning Salomon, zoon van David] zegt,
die misschien het Lied schreef toen hij joú zag...
Ik zal de bewaker zijn
van deze Tuin van Aroma's,
waarin de kostbaarste vruchten zitten
en waaruit een bron van Levend Water stroomt met een zoete impuls:
jouw Zoetheid, O Bruid, die met je blankheid mijn geest hebt overwonnen, O helemaal mooie!
Mooier nog dan de dageraad, de zon die schijnt omdat jouw hart straalt,
O helemaal Liefde voor jouw God én voor de wereld,
waaraan jij, met jouw offer als vrouw, de Verlosser wilt geven.
Kom, mijn geliefde!"
En hij pakt zachtjes haar hand
en begeleidt haar naar de deur.
Alle anderen volgen hen,
en buiten sluiten de juichende metgezellen zich bij hen aan,
allemaal in het wit en met sluiers.'
Reacties
Een reactie posten