Johanna kreeg droom en wilde Jezus
102.4
Maria Valtorta:
'"Ze had gelijk, het was geen stervende waanzin!
Oh! Heer God! Hoe de ziel U ziet en hoort, als U haar roept!"
Jonathan is ontroerd.
Maar hij herstelt zich. Hij verspilt zijn tijd niet.
Aanbiddend en toch actief gaat hij recht op zijn doel af:
"Jezus, onze Redder en Messias, ik ben gekomen
om Jou te vragen om met mij mee te gaan.
Ik sprak met Esther en zij vertelde me...
maar eerst, eerst had Johanna met Jou gesproken, en zij vertelde me...
oh! maak een gelukkig man niet belachelijk, jullie die luisteren...
gelukkig... en angstig... tot ik Jouw 'Ik kóm' hoor...
Je weet, ik reisde met mijn stervende meesteres.
Wat een reis! Van Tiberias tot Bethsaida gin het goed.
Maar toen verlieten we de boot en namen een kar.
Hoe goed ik die ook uitgerust had,
het werd een marteling!
We reisden langzaam, 's nachts, maar zij leed.
In Caesarea Filippi stierf ze bijna, door bloedvergieten.
We stopten...
Op de derde ochtend, zeven dagen geleden, liet ze mij roepen.
Ze zag er al dood uit, zo wit en uitgeput was ze.
Maar toen ik haar riep, opende ze haar lieve, stervende gazellenogen
en glimlachte naar mij!
Ze gebaarde me met haar ijskoude handje om me voorover te buigen,
omdat ze nog maar een heel klein stemmetje had, en ze vertelde me:
'Jonathan, breng me naar huis. Maar nu meteen!'
Zo groot was de inspanning van haar commando
- zij die altijd zachter is dan een braaf meisje -
dat haar wangen kleurden en haar ogen even weer oplichtten.
Ze vervolgde: 'Ik droomde van mijn huis in Tiberias!
Binnenin was Iemand met het gezicht van een ster,
lang, blond, met ogen als de hemel, en een stem zoeter dan de klank van een harp.
Hij vertelde mij: Ik ben het Leven. Kom, keer terug. Ik wacht op jou om het je te geven.
Ik wil gaan!'
Ik zei: 'Maar mevrouw! Dat kan niet! U bent ziek!
Pas als u beter bent, zien we wel verder."
Ik dacht dat het het delirium van een stervende was.
Maar ze huilde en toen...– oh! het was de eerste keer in de zes jaar dat ze mijn meesteres is
dat ze dat zei, ze ging zelfs zitten, zij die niets kon doen, uit woede, en toen zei ze tegen mij:
'Dienstknecht, ik wíl het. Ik ben jouw meesteres. Gehoorzaam!'
En toen viel ze om, terwijl ze bloed opgaf.
Ik dacht dat ze doodging...
En ik zei: 'Laten we haar gelukkig maken. Sterven zal ze toch!...
Ik zal er geen spijt van krijgen haar uiteindelijk te hebben teleurgesteld,
terwijl ik haar altijd gelukkig heb willen maken.'
Wat een reis! Ze wilde geen rust,
behalve tussen het derde en zesde uur [9-12u].
Ik heb de paarden uitgeput om ons te haasten.
We kwamen vanmorgen rond het negende uur [15u] in Tiberias aan...
En Esther vertelde me... Toen besefte ik... dat Jij het was die haar had geroepen!
Want dat was het uur en de dag...
waarop Jij een wonder aan Esther beloofde
en aan de geest van mijn meesteres verscheen.
Zij wilde meteen vertrekken toen het het negende uur was,
en ze heeft mij alvast vooruit gestuurd...
Oh! Kom, mijn Redder!"
"Ik kom er meteen aan!
Geloof verdient een beloning.
Wie Mij wíl, heeft Mij!
Laten we gaan!"
"Wacht. Ik heb een jongeman een beurs toegeworpen en zei:
'Drie, vijf, zoveel ezels als je wilt, als je geen paarden hebt,
en snel, naar het huis van Jezus!'...
Ze komen eraan. Zo reizen we sneller.
Ik hoop haar in Kana te ontmoeten. Als ze maar..."
"Wat, Jonathan?"
"Als ze tenminste nog leeft..."
"Ze leeft. Maar zelfs als ze dood zou zijn,
ben Ik het Leven."
Reacties
Een reactie posten