Jezus geneest ook in Hebron, Judas erkent vergissing
211.3-4
Maria Valtorta:
"Daarom ben Ik hier! Ik kom van zo ver om aan de stad van Johannes te geven wat Ik aan elke plaats geef die Mij verwelkomt. Vertel Me wat jullie van Mij verlangen."
"Ook wij hebben zieken, ook wij zijn onwetend. Vooral op het gebied van liefde en goedheid zijn wij onwetend. Johannes, in zijn totale liefde voor God, heeft een hand van ijzer en een woord van vuur, en hij wil iedereen buigen zoals een reus een grassprietje buigt. Velen vervallen tot wanhoop, want de mens is meer zondaar dan heilige. Het is moeilijk om heilig te zijn!...
U... ze zeggen dat U niet buigt maar optilt, dat U niet dichtschroeit maar balsem aanbrengt, dat U niet verplettert maar streelt. Ons is bekend dat U vaderlijk bent voor zondaars en machtig over ziekten, wat die ook mogen zijn, zelfs en vooral over die van het hart. De rabbijnen kunnen dat niet meer."
"Breng jullie zieken naar Mij toe
en verzamel je dan in deze tuin, verlaten en ontheiligd door de zonde,
nadat hij tot tempel was gemaakt door de Genade die daar woonde/verbleef."
De Hebronieten verspreiden zich als zwaluwen in alle richtingen,
en de overste van de synagoge blijft achter, die met Jezus en de discipelen voorbij de omheining van de tuin naar binnen gaat, in de schaduw van een pergola vol rozen en wijnranken, die naar hun genoegen is gegroeid.
De Hebronieten keren snel terug. En bij hen zijn een verlamde op een draagbaar, een blinde jonge vrouw, een stomme man en twee anderen, die door de mensen worden ondersteund.
"Vrede zij met u," groet Jezus elke zieke die binnenkomt.
En dan de vriendelijke vraag: "Wat willen jullie dat Ik voor je doe?"
En dan het koor van klaagzangen van deze ongelukkigen,
waarin elk zijn eigen verhaal wil vertellen.
Jezus, die neerzat, staat op
en gaat naar de kleine stomme, bevochtigt zijn lippen met Zijn speeksel
en spreekt het grote woord: "Ga open!"
En hetzelfde zegt Hij,
terwijl Hij zonder snede de oogleden van de blinde vrouw bevochtigt
met Zijn met speeksel bevochtigde vinger.
En daarna geeft hij de verlamde man Zijn hand en zegt: "Sta op!"
Tot slot legt Hij Zijn handen op de twee zieken en zegt:
"Wees genezen, in naam van de Heer!"
En het kleine stomme mannetje,
dat eerder had zitten jammeren, zegt duidelijk: "Mama!"
Terwijl de jonge vrouw met haar open oogleden knippert tegen het licht
en haar vingers spreidt voor de onbekende zon, huilt en lacht, en weer kijkt,
knipperend omdat ze niet gewend is aan het licht,
naar de takken, de aarde, de mensen,
en vooral naar Jezus.
De verlamde daalt zelfzeker af van de brancard,
en zijn meelevende dragers tillen die lege brancard in de hoogte
om degenen verder weg te laten weten dat de genade is verleend.
Terwijl de twee zieken huilen van vreugde
en knielen om hun Redder te vereren.
De menigte brult met een uitzinnig Hosanna!
Thomas, die naast Judas staat, kijkt hem zo strak en met zulk een heldere blik aan
dat Judas antwoordt: "Ik was een dwaas; vergeef me."'
Reacties
Een reactie posten