bekering vergt moed en offer (van wie bekeert eerst) - écht berouw maakt vurig als God





250.7

Maria Valtorta:

'"Elke ziel is een heilig vuur

door God geplaatst op het altaar van het hart,

om het offer van het leven te verbranden

met de Liefde voor de Schepper van dat leven.


Elk leven is een holocaust [brandoffer] als het goed besteed wordt,

elke dag is een offer om met heiligheid geconsumeerd te worden.


Maar de plunderaars komen!

De verdrukkers van de mens,

en van de ziel van de mens.


Het vuur zinkt weg

in de diepe put.


En niet uit heilige noodzaak,

maar uit noodlottige dwaasheid/zotternij.

En daar, ondergedompeld in de riolen van alle beerputten van ondeugd,

wordt het één rottende, zware modder...

totdat...

een priester in die diepte afdaalt

en die modder terugbrengt naar het licht van de zon,

en hem bovenop het brandoffer van zijn eigen offerande legt.


Want weet dit:

de heldenmoed van de bekeerling is niet genoeg.

Het vereist ook de moed van degene die bekeert.

Inderdaad, die moet aan de andere voorafgaan,

want zielen worden gered door ons offer.


Want op díe manier

slaagt men erin te bereiken

dat de modder in vlammen verandert

en dat God het offer dat wordt verteerd beoordeelt

als volmaakt en welgevallig aan Zijn heiligheid.



En toch, nog steeds niet voldoende zijnde om de wereld ervan te overtuigen

dat berouwvolle modder vuriger is dan gewoon vuur, zelfs als het een gewijd vuur is,

—gewoon vuur dient immers alleen om hout en offerdieren te verbranden,

dat wil zeggen, materialen die geschikt zijn om te verbranden—

zie, hoe deze berouwvolle modder zo krachtig wordt

dat zij zelfs stenen, onbrandbare materialen,

kan ontsteken en verbranden.


En vraag je je niet af waar deze modder die eigenschap vandaan haalt?

Weten jullie dat niet? Ik zeg het je:

omdat zij in de hitte van de spijt,

zich verenigen met God, vlam met vlam;

vlam die opstijgt, vlam die neerdaalt;

vlam die zichzelf in liefde offert, vlam die zichzelf in liefde schenkt;

omhelzing van twee die elkaar liefhebben,

die elkaar vinden, die zich verenigen,

en één worden.


En aangezien de grootste vlam die van God is,

zie hoe zij overstroomt, overweldigt, doordringt en absorbeert.

En de vlam van de berouwvolle modder is niet langer de relatieve vlam van iets dat geschapen is,

maar is de oneindige vlam van dat wat ongeschapen is: van de Allerhoogste,

de Almachtigste, de Oneindige, van God.


Dat zijn de grote zondaars, die werkelijk bekeerd zijn,

volledig bekeerd, genadig overgegeven aan bekering,

niets meer vasthoudend van het verleden,

zichzelf het eerst verbrandend,

in het zwaarste deel,

met de vlam die opstijgt uit hun modder,

nadat zij de genade tegemoet zijn gerend

en erdoor zijn aangeraakt.


Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie:

vele stenen in Israël zullen aangestoken worden met het vuur van God

door deze brandende vuurovens, die alsmaar meer zullen branden, totdat de mens verteerd is,

en die de stenen, de lauwheid, de onzekerheden, de schuchterheid van de aarde,

vanuit hun troon in de hemel te verbranden,

als echte bovennatuurlijke brandende spiegels,

die het Ene en Drievoudige Licht verzamelen,

om het op de mensheid te richten

en haar met God te ontsteken."'


11 aug.1945

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken