pijnlijk afscheid in Antiochië, Petrus geeft allen de Mozaïsche zegen
324.10
Maria Valtorta:
'Allen gaan naar buiten, behalve de acht en de twee
die in de grote kamer achterblijven.
Er valt een doodse stilte.
Ze zijn allemaal een beetje bleek,
de apostelen omdat ze weten wat er gebeuren gaat,
de twee discipelen omdat ze het voelen aankomen.
Petrus opent zijn mond, maar vindt slechts één woord:
"Laten we bidden"... en hij zingt het Onze Vader.
Dan, en hij is werkelijk bleek,
misschien bleker dan hij zijn in de dood,
zegt hij, terwijl hij tussen de twee in gaat staan,
en een hand op hun schouders legt:
"Het is tijd om afscheid te nemen, kinderen.
Wat zal ik tot de Heer zeggen, namens jullie?
Tegen Hem die er zeker naar zal verlangen
om jullie heiligheid te kennen?"
Syntyche zakt op haar knieën,
bedekt haar gezicht met haar handen,
en Johannes doet haar na.
Petrus heeft hen aan zijn voeten
en streelt hen mechanisch,
terwijl hij op zijn lip bijt
om niet toe te geven aan de emotie.
Johannes van Endor heft een gekweld gezicht op en zegt:
"Zeg aan de Meester dat we Zijn wil doen..."
En Syntyche: "En dat hij ons helpt
om hem tot het einde toe uit te voeren..."
Maar tranen beletten nog verdere woorden.
"Goed.
Laten we elkaar een afscheidskus geven.
Dit uur moest komen..." ook Petrus stopt,
verstikt door een brok tranen.
"Zegen ons eerst!" smeekt Syntyche.
"Nee. Niet ik. Liever een van Jezus' neven..."
"Nee. Jij bent de leider.
Wij zullen hen zegenen met een kus.
Zegen ons allen, zowel degenen die weggaan
als degenen die blijven!" zegt Thaddeüs,
die als eerste knielt.
En Petrus, arme Petrus, die nu rood is
van de inspanning om zijn stem te beheersen
en van de opwinding van het zegenen met uitgestrekte handen
van de kleine groep die aan zijn voeten ligt... spreekt
met een stem die nog schor klinkt door het huilen,
een bijna oude mannenstem,
de Mozaïsche zegen uit...
Dan buigt hij zich voorover,
kust de vrouw op het voorhoofd alsof ze een zus is,
richt zich op en omhelst Johannes, kust hem hartstochtelijk,
en… rent dapper de kamer uit, terwijl de anderen
zijn actie nadoen met de twee die achterblijven…
Buiten staat de kar al klaar.
Alleen Filippus en Berenice zijn aanwezig,
en de knecht die het paard vasthoudt.
Petrus zit al op de kar...
"Zeg tegen de Heer, dat Hij vrede kan hebben
over degenen die hij heeft aanbevolen,"
zegt Filippus tegen Petrus.
"Zeg tegen Maria [Magdalena]
dat ik de vrede van [haar moeder] Eucheria heb gevoeld
sinds ze discipel geworden is," zegt Berenice
zachtjes tegen de Zeloot.
"Zeg tegen de Meester, tegen Maria, tegen iedereen,
dat we van hen houden en dat... Vaarwel! Vaarwel!
O!... We zullen hen nooit meer zien!
Vaarwel, broeders! Vaarwel..."
De twee discipelen rennen achter hen aan, de straat op...
Maar de kar, die in draf was vertrokken, is nu de hoek om...
Verdwenen...
"Syntyche!"
"Johannes!"
"We zijn alleen!"
"God is met ons!...Kom, arme Johannes.
De zon gaat onder, het doet je pijn om hier te blijven..."
"De zon is voorgoed voor mij ondergegaan...
Alleen in de hemel zal hij weer opkomen."
En ze gaan terug naar de plek waar ze eerder met de anderen waren,
laten zich op een tafel vallen en huilen onbedaarlijk...'
Reacties
Een reactie posten