elk haar eigen cel
11.2
Maria Valtorta:
'Maria is nog steeds in de tempel.
En nu komt ze, met de andere maagden, uit de Tempel zelf naar buiten.
Er moet een ceremonie geweest zijn,
omdat de geur van wierook zich verspreidt door de lucht,
helemaal rood, door een prachtige zonsondergang,
waarvan ik zou zeggen dat het al late herfst is,
omdat een lucht, zachtjes moe al, zoals hij is op 'n heldere oktoberdag,
zich buigt over de tuinen van Jeruzalem,
waarin de gele oker van de bladeren,
die op het punt staan te vallen,
blondrode vlekken creëert
tussen het zilvergroen
van de olijfbomen.
De menigte...
of liever, de witte zwerm van maagden,
steekt de achterhof over, beklimt de trappen, steekt een portiek over,
betreedt een andere, minder indrukwekkende binnenplaats, vierkant...
en die geen andere openingen heeft dan die ene van waaruit men erin komt.
Het moet dat zijn, toegewezen voor het huisvesten in kleine huisjes
van de maagden die aan de Tempel zijn gewijd.
Want ieder meisje gaat naar haar cel zoals een duif naar haar nest,
en het ziet er echt uit als een zwerm duiven die zich afscheiden
nadat ze bij elkaar waren gekomen.
Velen, ik zou zelfs zeggen allemaal, praten met elkaar voordat ze afscheid nemen,
met een lage maar opgewekte stem.
Maria is stil.
Alleen, voor ze van de anderen scheidt,
begroet ze hen nog liefdevol en gaat dan naar haar kamer,
in een hoek, aan de rechterkant.'
Reacties
Een reactie posten