vorstelijke bruiloft 7
13.7
Maria Valtorta:
'Het pasgetrouwde stel gaat de binnenplaats op
en van daaruit gaan ze verder, richting de uitgang die vlakbij de vertrekken is
van de vrouwen in dienst van de tempel.
Daar wacht een comfortabele, zware wagen.
Er staat een schuiltent overheen, en daar liggen de zware koffers van Maria al.
Afscheid, kussen en tranen, zegeningen, advies, aanbevelingen,
en dan klimt Maria met Elizabeth naar boven
en plaatst zichzelf in de wagen,
en Jozef en Zacharias zitten voorop.
Ze hebben hun feestelijke mantels afgedaan
en zijn allen in een donkere mantel gewikkeld.
De wagen vertrekt in zware draf, achter een donker paard.
De muren van de Tempel bewegen weg, en dan die van de stad,
en kijk daar is het platteland, nieuw, fris, bloeiend, in de eerste zonnen van de lente,
met het graan een goede handbreedte boven de grond, en eruit ziend als smaragden
die gereduceerd zijn tot kleine blaadjes, zwaaiend in een lichte bries,
die ruikt naar perzik- en appelbloesem,
die ruikt naar bloeiende klavers
en wilde munt!
Maria huilt zachtjes, onder haar sluier.
En zo nu en dan schuift ze het tentzeil opzij
en kijkt weer naar de verre Tempel,
naar de stad die ze achterliet...
Zo eindigt het visioen.'
Reacties
Een reactie posten