transfiguratie in de stal
29.2
Maria Valtorta:
'Een kleine maan kruipt naar binnen, uit een spleet in het plafond,
en lijkt op een mesblad van niet-stoffelijk zilver dat op zoek is naar Maria.
Het wordt langer, naarmate de maan hoger aan de hemel komt,
en bereikt haar uiteindelijk.
Kijk nu, het staat op het hoofd van de biddende vrouw!
En het baadt/overgiet haar in/met witheid!
Maria heft haar hoofd op,
alsof het een hemelse roep was,
en gaat weer op haar knieën zitten.
Oh! wat is het hier mooi!
Ze heft haar hoofd op,
dat lijkt te schijnen in het witte licht van de maan,
en een niet-menselijke glimlach transfigureert haar.
Wat zie jij?
Wat hoor jij?
Wat voel jij?
Alleen Zij zou kunnen zeggen wat ze zag, en hoorde en voelde
in dit stralende uur van haar Moederschap.
Ik zie alleen...
dat om haar heen...
het licht groeit, groeit, groeit.
Het lijkt uit de Hemel te komen,
het lijkt uit de povere dingen die om haar heen zijn te komen,
het lijkt bovenal... uit Háár te komen.
Haar donkerblauwe jurk
lijkt nu een mild vergeet-me-nietjes-blauw.
En haar handen en gezicht lijken blauw te worden,
zoals die van iemand die onder het vuur van een immense lichte saffier wordt geplaatst.
Deze kleur, die mij, hoewel zwakker, doet denken
aan wat ik altijd zie in de visioenen van het heilige Paradijs
en ook aan wat ik heb gezien in het visioen van de komst van de Wijzen,
verspreidt zich steeds meer over de dingen, kleedt hen aan, zuivert ze, maakt ze prachtig.
Het licht straalt steeds meer uit het lichaam van Maria
en absorbeert dat van de maan.
Het lijkt erop dat zij in zichzelf trekt
wat tot haar kan komen uit de hemel.
Zij is nu de Bewaarder van het Licht.
Degene die dit Licht moet geven aan de wereld.
En dit gelukzalige, niet te vatten,
niet te meten, eeuwige, goddelijke licht,
dat op het punt staat gegeven te worden,
kondigt zichzelf aan met een dageraad, een diana, een koor van lichtatomen
die groeien, groeien als een getij, die opstijgen, opstijgen als wierook,
die neerstromen als een rivier, die gaan liggen als een sluier...
Het gewelf, vol scheuren, spinnenwebben, uitstekend puin
dat door een wonder van statica in evenwicht wordt gehouden,
zwart, rokerig, weerzinwekkend...
lijkt wel het gewelf van een koninklijke zaal !
Elke steen een blok zilver,
elke barst een flikkering van opaal,
elk spinnenweb een zeer kostbaar baldakijn van zilver en diamanten.
Een grote hagedis, die tussen twee rotsblokken overwintert,
ziet eruit als een smaragdgroene halsketting daar door een koningin vergeten;
en een groep vleermuizen in winterslaap, een kostbare onyxlamp.
Het hooi dat aan de hoogste kribbe hangt, is niet langer gras,
maar het zijn draden en draden van puur zilver, die trillen in de lucht
met de bevalligheid van losse haren.
De kribbe eronder, in het donkere hout, is één blok gepolijst zilver.
De muren zijn bedekt met een brokaat waarin de witheid van de zijde
verdwijnt onder het parelmoerachtige borduurwerk van het reliëf.
En de vloer... wat is de vloer nu?
Dat is een kristal verlicht door een wit licht.
De uitsteeksels zien eruit als lichtrozen, geprojecteerd ter ere van de grond;
en de gaten als kostbare kopjes, waaruit aroma's en parfums moeten opstijgen.'
Reacties
Een reactie posten