niet naar school 2
38.8
Maria Valtorta:
'Hun schoonzus komt tussenbeide:
"Je hebt volkomen gelijk. Ik wou dat ik goed genoeg was om les te geven!
Op school leren onze kinderen goed en kwaad. Thuis alleen het goede.
Maar ik weet niet... Als Maria..."
"Wat wil je, schoonzus? Spreek vrijuit!
Je weet dat ik van je hou en ik ben blij als ik je kan plezieren!"
"Ik wou zeggen... Jakobus en Judas zijn iets ouder dan Jezus.
Zij gaan al naar school... maar voor wat ze maar weten!...
In plaats daarvan kent Jezus de Wet al heel goed...
Ik zou graag... Nou, als ik je zou zeggen hen ook te houden, als je Jezus onderwijst?
Ik denk dat ze beter en meer opgeleid zouden worden.
Uiteindelijk zijn het neven en dat ze van elkaar houden als broers, is juist...
Ik zou zo blij zijn!"
"Als Jozef dat wil, en jouw man ook, ben ik er klaar voor.
Spreken voor één of voor drie is hetzelfde.
Het doornemen van de hele Schrift is vreugde.
Laat ze komen!"
De drie kinderen, die langzaam binnenkwamen,
horen dit en wachten op het vonnis.
"Ze zullen je tot wanhoop drijven, Maria," zegt Alfeüs.
"Nee! Bij mij zijn ze altijd zoet. Is het niet waar dat je zoet zult zijn, als ik je les geef?"
De twee rennen dicht naar haar toe,
één aan de rechterkant, één aan de linkerkant,
ze slaan hun armen om haar schouders, hun kleine hoofdjes op haar schouders,
en beloven al het goeds dat ze maar kunnen.
"Laat het hen proberen, Alfeüs, en laat het mij proberen.
Ik denk dat je niet ontevreden zult zijn over de poging.
Ze komen elke dag, van zes uur tot 's avonds. Dat zal genoeg zijn, geloof het.
Ik ken de kunst van lesgeven zonder moe te worden.
Kinderen moeten samen geboeid en afgeleid worden.
Je moet ze begrijpen, van ze houden en geliefd zijn,
om wat met ze te bereiken.
En jullie houden van mij, niet?"
Twee dikke kussen zijn het antwoord.
"Zie je wel?"
"Ik zie het. Het enige wat ik te zeggen heb is: “Bedankt!”
En wat zal Jezus zeggen, als hij zijn Moeder met anderen bezig ziet? Wat zeg jij, Jezus?"
"Ik zeg: “Zalig zij die naar haar luisteren en hun huis dichtbij haar bouwen” [Spr.8:34].
Wat Wijsheid betreft, gezegend is hij die een vriend is van mijn Moeder,
en ik ben blij dat zij van wie ik houd haar vrienden zijn."
"Maar wie legt zulke woorden op de lippen van dit Kind?" vraagt Alfeüs verbaasd.
"Niemand, broer. Niemand die van de wereld is."
Het visioen stopt hier.'
Reacties
Een reactie posten