géén zelfproclamatie 2
59.7
Maria Valtorta:
'Jezus kijkt naar de menigte die verbaasd is over het geschil,
getroffen en verdeeld tussen tegengestelde stromingen.
Hij kijkt hen aan, zoekend naar iemand met zijn saffieren ogen,
en roept dan luid: "Haggai! Kom naar voren. Ik beveel je."
Er ontstond een luid geroezemoes onder de menigte,
die openging om een man door te laten,
helemaal schokkend en bevend,
en ondersteund door een vrouw.
"Ken je deze man?"
"Ja. Het is Haggai van Maleachi, hier uit Kafarnaüm.
Hij is bezeten door een boze geest die hem in plotse woedeaanvallen gek maakt."
"Kent iedereen hem?"
De menigte roept: "Ja, ja!"
"Kan iemand zeggen dat hij in woorden bij Mij was, al was het maar voor een paar minuten?"
De menigte roept: "Nee, nee, hij is haast idioot, en verlaat zijn huis nooit,
en niemand heeft U ooit daarbinnen gezien."
"Mevrouw, breng hem voor Mij!"
De vrouw duwt en sleept hem voort, terwijl de arme man harder beeft.
De voorzitter van de synagoge waarschuwt Jezus: "Wees voorzichtig!
De duivel staat op het punt hem aan te vallen... en dan bespringt, en krabt en bijt hij."
De menigte maakt plaats
en drukt zich tegen de muren.
De twee staan nu tegenover elkaar.
Een moment van strijd.
Het lijkt erop dat de man, gewend aan stilte, het moeilijk vindt om te spreken en te kreunen,
waarna de stem zich vormt tot woorden:
"Wat is er tussen U en ons, Jezus van Nazareth?
Waarom zijt Gij gekomen om ons te kwellen?
Waarom, om ons uit te roeien, Gij, Meester van Hemel en Aarde?
Ik weet wie Gij zijt: de Heilige van God.
Niemand in het vlees was groter dan Gij,
want de Geest van de eeuwige Overwinnaar is opgesloten in Uw mensenvlees.
Gij hebt mij al verslagen in..."
"Stil! Ga weg uit hem! Ik beveel het!"
De man wordt gegrepen als door een vreemde aanval.
Hij kronkelt en rukt, alsof er iemand is die hem mishandelt met slagen en stoten,
hij schreeuwt met een onmenselijke stem, hij schuimt en wordt dan op de grond gegooid,
waar hij vervolgens, verbaasd en genezen, uit opstaat.'
Reacties
Een reactie posten