kreupele Isaak op afstand genezen
76.3-4
Maria Valtorta:
'"Maar hier zijn we bij de doorwaadbare plaats, denk Ik.
Ik zie een rij stenen tevoorschijn komen uit het beetje water op de bodem."
"Ja, dit is 't, Meester. In tijden van overstroming is het een daverende waterval,
nu zijn het niets anders dan zeven beekjes die lachen tussen de zes grote stenen van de wadi."
Inderdaad liggen op de bodem van de stroom zes grote rotsblokken,
tamelijk vierkant, op een afstand van een goede handbreedte van elkaar,
en het water, eerst verenigd in een enkel schitterend lint, spits er zich in zeven kleinere linten,
versnellend en lachend, om na de doorwaadbare plaats weer samen te komen
in een enkele frisheid, die kabbelend wegvloeit tussen het grind van de bodem.
De herders houden de doorgang van de schapen in de gaten,
waarvan sommige over de stenen en andere liever het water in gaan,
niet meer dan een handbreedte hoog, en wat drinken van deze diamanten golf
die schuimt en lacht.
Jezus gaat over de stenen heen en de discipelen volgen Hem.
Ze gaan verder op de andere oever.
"Je hebt mij verteld dat Je Isaak wil laten weten dat Je er bent,
maar zelf de stad niet wil binnengaan"...
"Ja, dat is wat Ik wil."
"Dan is het het beste om nu uit elkaar te gaan.
Ik ga naar hem toe, Levi en Jozef blijven bij de kudde, en bij Jou.
Ik ga vanaf hier omhoog, zo gaat het sneller."
En Elia begint de heuvel op te klimmen,
naar een reeks witgekalkte huizen die daarboven in de zon glanzen.
Het voelt alsof ik hem volg.
Kijk, daar is hij al bij de eerste huizen.
Hij neemt een steegje tussen huizen en moestuinen in.
Loopt een paar tientallen meters.
Slaat vervolgens een bredere straat in
en komt van daaruit op een plein.
Dat heb ik nog niet gezegd:
dit gebeurt allemaal in de vroege ochtenduren.
Ik zeg het nu om uit te leggen dat er nog steeds een markt is op het plein,
en huisvrouwen en verkopers schreeuwen onder de bomen die het plein schaduw geven.
Elia gaat met stevige stap naar het punt waar het plein weer een straat wordt,
een hele mooie straat, misschien wel de mooiste van de stad.
Op de hoek staat een huisje, of beter gezegd een kamer, met een open deur.
Bijna voor de deur, een armzalig bed, en daarop een skeletachtige invalide,
die elke voorbijganger klaaglijk om een donatie vraagt.
Elia stuikt binnen als een raket.
"Isaak... ik ben het!"
"Jij? Ik had jou niet verwacht. Je bent hier nog vorige maan geweest."
"Isaak... Isaak... Weet je waarom ik gekomen ben?"
"Dat weet ik niet... je bent ontroerd... wat is er aan de hand?"
"Ik heb Jezus van Nazareth gezien, een man, een rabbijn nu.
Hij is mij komen opzoeken... en Hij wil jou zien. Oh! Isaak! Ben je ziek?"
In feite had Isaak zichzelf alaten gaan alsof hij stervende was.
Maar hij herpakt zich: "Nee... Het nieuws... Waar is Hij? Hoe is Hij? Oh! Ik zou Hem kunnen zien!"
"Het wacht in de vallei. Hij stuurt mij om het je zo te zeggen, precies zo:
'Kom, Isaak, want Ik wil jou zien en jou zegenen!'
En nu zal ik iemand roepen om mij te helpen
en jou naar beneden te brengen."
"Heeft Hij dat zo gezegd?"
"Als. Maar wat doe je nu?
"Ik ga!"
-heiligdom Lourdes a/d Gave-
Isaak duwt zijn dekens opzij, beweegt zijn slappe benen,
gooit ze van het matras, richt ze naar de grond, staat op,
nog steeds een beetje onzeker en wankel,
alles in een oogwenk, onder de grote ogen van Elia...
die het eindelijk doorheeft en gilt...
Er verschijnt een nieuwsgierige vrouwtje.
Zij ziet de zieke man staan en zichzelf, niets anders hebbende, in een van de dekens wikkelen,
en rent gillend als een kip weg.
"Laten we gaan... laten we deze kant op gaan,
om het sneller te maken en geen drukte te hebben...
Schiet op, Elia!"
En ze rennen door het kleine deurtje van een achtertuin,
duwen de sluiting van droge takken open, rennen naar buiten,
rennen door een ellendig steegje, dan over een weggetje tussen moestuinen
en van hieruit door de weilanden en bossen, tot bij de stroom.'
Reacties
Een reactie posten