aanvaring met plezierboten
98.2
Maria Valtorta:
'Een kleine groep plezierboten, bijna net reddingssloepen,
maar alle rijk aan paarse luifels en zachte kussens,
kruist haaks de weg van de boten van de vissers.
Geluiden, gelach en geuren gaan met hen voorbij.
Ze zitten vol met mooie vrouwen, en met Romeinse en Palestijnse feestvierders,
maar vooral Romeinse, of in elk geval niet-Palestijnse, want iemand moet Grieks zijn...
dat maak ik tenminste op uit de woorden van een jongeman, dun, slank,
zo bruin als een bijna rijpe olijf, helemaal gekleed in een korte rode tuniek,
onderaan afgezet met een zware Griekse boord, en bijeengehouden in de taille
door een riem die een meesterwerk van goudsmeedkunst is.
Hij zegt: "Hellas is prachtig!
Maar zelfs mijn Olympische thuisland heeft niet dit blauw en deze bloemen.
En echt, het niet zo vreemd dat de godinnen dat in de steek lieten en hierheen kwamen.
Laten we voor de godinnen - niet langer Griekse, maar Joodse -
de bloemen, de rozen en de eerbewijzen plukken!..."
En hij strooit over de vrouwen in zijn boot bloemblaadjes van prachtige rozen,
en gooit er andere in de dichtstbijzijnde sloep.
Een Romein antwoordt:
"Blaadjes, blaadjes, strooi maar, Griek!
Maar Venus is bij mij! Ik verstrooi ze niet,
ik pluk de rozen van deze prachtige mond!
Die zijn zoeter!"
En hij buigt zich voorover
om op haar mond, open van het lachen, Maria Magdalena te kussen,
half liggend op de kussens, met haar blonde hoofd op de schoot van de Romein.
Nu zijn de kleine boten echt vlak voor de zware boten,
en of dit nu komt door de onervarenheid van de roeiers,
of door het spel van de wind, ze botsten bijna.
"Wees voorzichtig, als je leven je lief is!"
schreeuwt Petrus woedend terwijl hij zwenkt,
door een duwtje tegen het roer te geven, om een botsing te voorkomen.
Scheldwoorden van mannen en angstkreten van vrouwen
gaan van boot naar boot.
De Romeinen beledigen de Galileeërs door te zeggen:
"Ga opzij, jullie Hebreeuwse honden!"
Petrus en de andere Galileeërs laten zich die belediging niet welgevallen
en vooral Petrus, rood als een haan, staande precies op de rand van de boot,
die zwaar heen en weer slingert, met de handen op de heupen, antwoordt in natura,
zonder de Romeinen, Grieken, Joden of Jodinnen te sparen.
Hij wijdt er zelfs een hele reeks eretitels aan,
die ik in mijn pen heb laten zitten.
Het gekibbel gaat door
tot de wirwar van kielen en roeiriemen is ontrafeld
en ieder weer zijn eigen weg gaat.'
Reacties
Een reactie posten