er is maar één Liefde voor de ziel: God (maar stenig zondaren niet, keer kwade ten goede)
135.7
Maria Valtorta:
'"Mijn zus, Jezus... oooh!"
Lazarus ziet Maria
achter een heg in Lazarus' boomgaard glippen,
om zo dichtbij mogelijk te komen. Ze loopt gebukt.
Maar haar blonde hoofd schittert als goud tegen het donkere buxushout.
Martha staat op het punt om op te staan.
Maar Jezus legt Zijn hand op haar hoofd
en ze moet blijven waar ze is.
Jezus verheft Zijn stem nog hoger.
"Wat kan Ik over deze ongelukkigen zeggen?
God heeft hun de tijd gegeven om boete te doen, maar zij misbruiken die tijd om te zondigen.
Maar God verliest hen niet uit het oog, ook al lijkt dat wel zo. En het moment komt dat,
of omdat, als bliksem die zelfs rotsen doordringt, de Liefde van God door hun harde hart scheurt,
of omdat de som van hun misdaden de moddergolf in hun kaken en neusgaten brengt
– en zij de afkeer voelen, oh! eindelijk voelen!, van die smaak en die stank
die weerzinwekkend is voor anderen en die hun harten vult –
op een gegeven moment dus... voelen zij zich misselijk
en ontstaat er een verlangen naar het goede.
De ziel roept dan uit [Job 29, 30]:
“En wie zal het mij geven
om terug te keren naar hoe het vroeger was,
wanneer ik een vriend was van God?
Toen Zijn Licht in mijn hart scheen
en ik binnen de straal daarvan liep?
Toen de wereld stil was in bewondering voor mijn rechtvaardigheid,
en wie mij zag, mij zalig noemde?
De wereld dronk mijn glimlach
en mijn woorden werden ontvangen als de woorden van een engel
en de harten van mijn familie sprongen op van trots..
En wat ben ik nu?
De spot van de jongeren, de afschuw van de ouderen,
Ik ben het onderwerp van hun liedjes,
en het speeksel van hun minachting streelt mijn gezicht."
Ja, dát is wat de ziel van zondaars - van ware Jobs - op bepaalde momenten spreekt.
Want er is geen grotere ellende dan die van iemand die voor eeuwig de vriendschap
van God en Zijn Koninkrijk heeft verloren.
En ze zouden zielig moeten zijn.
Alleen maar medelijden wekken.
Het zijn arme zielen
die door luiheid en lichtzinnigheid
hun Eeuwige Echtgenoot hebben verloren.
"Des nachts op mijn bed zoek ik mijn ziels Beminde,
maar hoe ik ook zoek, ik vind Hem niet."
[Hgl. 3:1]
Inderdaad
in de duisternis is de Bruidegom niet te onderscheiden,
en de ziel, aangespoord door Liefde, maar onnadenkend want gehuld in geestelijke nacht,
zoekt en wil verlichting vinden uit haar kwelling.
Ze denkt dat zij het met in elke liefde kan vinden.
Nee. Er is maar één Liefde voor de ziel: God.
Zij gaan, deze zielen die door de Liefde van God worden aangespoord,
op zoek naar liefde.
Het zou voldoende zijn als ze het licht in zichzelf wilden,
en Liefde zouden ze hebben als hun gezel.
Maar ze gaan rond als zieke mensen, tastend naar liefde,
en ze vinden alle liefde, alle vuiligheid die de mens zo heeft gedoopt,
maar vinden geen Liefde; omdat Liefde God is,
en niet goud, sensualiteit, macht.
Arme, arme zielen! Als ze minder lui waren,
als ze waren opgestaan bij de eerste uitnodiging van de Eeuwige Bruidegom,
van God die zegt: "Volg Mij!", van God die zegt: "Doe open voor mij!",
ze zouden de deur niet pas hebben geopend, met de impuls van hun ontwaakte Liefde,
wanneer de teleurgestelde Bruidegom al heel ver weg was.
Verdwenen...
En zij zouden die heilige drang, van de behoefte aan Liefde, niet hebben ontheiligd,
in een modder waarvan zelfs onreine dieren walgen, zo nutteloos is hij
en bezaaid met afgezaagde voetangels, die geen bloemen waren,
maar slechts stekels die prikken en niet kronen.
En zij zouden de spot van de nachtwachten niet hebben gekend, van de hele wereld,
die, net als God, maar om tegengestelde redenen, de zondaar niet uit het oog verliest
en hem beloert om hem te bespotten en te bekritiseren.
Arme, verslagen, uitgeklede, gewonde zielen
van over de hele wereld!
Alleen God doet niet mee aan deze steniging van genadeloze spot.
Maar Hij laat zijn tranen vallen, om de wonden te helen
en Zijn schepsel in diamantvorm te kleden.
Nog steeds/Altijd Zijn schepsel...
Alleen God...
en de Kinderen van God, met de Vader.
Laten wij de Heer prijzen.
Hij wilde dat Ik hier terug zou komen, ter wille van de zondaars,
om jullie te vertellen: "Vergeef. Vergeef altijd. Maak van elk kwaad iets goeds.
Maak van elke overtreding een Genade."
Ik zeg niet dat je dit gewoon moet doen.
Ik zeg jullie: herhaal Mijn gebaar.
Ik heb Mijn vijanden lief en zegen ze.
Omdat Ik door hen naar jullie kon terugkeren, Mijn vrienden.
Vrede zij met jullie allen!"'
Reacties
Een reactie posten