Maria meldt bedreigingen, ook buiten Nazareth
-Jezus verjaagd uit Nazareth-
133.4
Jezus zegt:
"Luister! Er is ook iets voor de Galileeërs!
Mijn moeder schrijft...
'Aan Jezus, mijn lieve Zoon en Heer, vrede en zegen.
Jonathan, de dienaar van zijn Heer, heeft mij lieve geschenken gebracht van Johanna,
die de zegeningen van haar Redder vraagt - voor haar, haar man en haar hele gezin.
Jonathan vertelt mij dat hij op bevel van Chuzas naar Jeruzalem gaat
en de opdracht heeft om het paleis in Sion te heropenen.
Ik dank God hiervoor, want zo kan ik Jou mijn woorden en mijn zegeningen overbrengen.
Maria van Alfeüs en Salome sturen ook kussen en zegeningen naar hun kinderen.
En omdat Jonathan buitengewoon goed was, groet ook Petrus' vrouw haar verre echtgenoot,
en sturen ook de familieleden van Filippus en Nathanaël [Bartholomeüs] hun groeten.
Al jullie vrouwen, lieve mannen ver weg,
door hun werk met naald of weefgetouw, en in de tuin,
sturen jullie kleren voor deze wintermaanden en zoete honing,
en raden je aan om het op vochtige avonden met heel heet water in te nemen.
Zorg goed voor jullie zelf. Dit is wat moeders en echtgenotes mij vertellen en ik zeg het bij deze.
Ook aan Mijn Zoon.
Geloof me, we hebben onszelf nergens voor opgeofferd.
Geniet van de nederige geschenken die wij, discipelen van de discipelen van Christus,
aan de dienaren van de Heer geven, en schenk ons alleen de vreugde
van de wetenschap dat jullie gezond zijn.
Nu, mijn geliefde Zoon, bedenk ik
dat Je al bijna een jaar niet meer helemaal van mij bent.
En het lijkt mij dat ik terug ben in de tijd dat ik wist dat Jij er al was,
want ik voelde Je hartje kloppen in mijn buik.
Maar ik kon ook zeggen dat Je er nog niet was,
omdat Je mij had gescheiden door een barrière
die mij ervan weerhield Jouw geliefde lichaam te strelen.
Ik kon Jou alleen maar in de geest aanbidden, oh mijn lieve Zoon en aanbiddelijke God.
Ook nu weet ik dat Jij er bent en dat Je hart samen met het mijne klopt.
Nooit gescheiden van mij, ook al is het verdeeld,
maar ik kan Je niet strelen, niet naar Je luisteren,
Je niet dienen, niet vereren, Messias van de Heer
en van Zijn arme dienares.
Johanna wilde dat ik naar haar toe ging,
zodat ik niet alleen zou zijn op het Lichtfeest [Chanoeka].
Maar ik bleef liever hier, bij Maria [van Alfeüs], om de kaarsen aan te steken.
Voor mij en voor jou.
Maar zelfs als ik de grootste koningin op aarde was
en duizend en tienduizend kaarsen kon aansteken,
zou ik in het donker zitten, omdat Jij er niet bent.
Terwijl ik in het volmaakte licht was, in die donkere grot,
toen ik Jou op mijn hart droeg, mijn Licht en het Licht van de wereld.
Het is de eerste keer dat ik tegen mezelf zeg:
'Mijn kind is vandaag een jaar ouder', en ik heb mijn kind niet.
En het zal nog triester zijn dan Je eerste verjaardag in Matarea [Caïro].
Maar Jij doet jouw missie en ik doe de mijne.
En we doen beiden de Wil van de Vader
en werken voor de Glorie van God.
Dit droogt elke traan.
Lieve Zoon,
ik begrijp wat Je doet, zoals mij verteld is.
Zoals de golven van een open zee de stem van de diepte in een eenzame en gesloten kloof dragen,
zo bereikt de echo van Jouw Heilige Werk voor de Glorie van de Heer ons rustige kleine huis,
bij Je Moeder die zich verheugt en beeft.
Want als iedereen over Jou spreekt,
spreekt niet iedereen met hetzelfde hart over Je.
Vrienden en weldoeners komen naar me toe en zeggen: "Gezegend de Zoon van uw schoot!"
Én Je vijanden komen, om mijn hart te kwetsen, en zij zeggen: "Vervloekt is Hij!"
Maar ik bid voor hen, omdat zij ongelukkigen zijn.
Nog ongelukkiger dan de heidenen die mij komen vragen: "Waar is de goddelijke magiër?"
En ze weten niet dat ze een grote waarheid vertellen, in hun dwaling.
Want Jij bent werkelijk een priester, en groot - wat in de oude taal "magiër" betekent.
En Je bent goddelijk, oh mijn Jezus!
En ik stuur ze naar Jou en zeg: "Hij is in Bethanië."
Want dat is wat ik moet zeggen, totdat Jij anders beslist.
En ik bid voor hen, die komen om gezondheid te zoeken voor wat sterft,
dat zij gezondheid mogen vinden voor de eeuwige geest.
En, alsjeblieft, wees niet verdrietig om mijn pijn.
Die wordt gecompenseerd door de grote vreugde die er heerst
over de woorden van hen die genezen zijn naar ziel en lichaam!
Maar Maria [van Alfeüs]...
had en heeft een nog heviger pijn dan ik!
Ze praten niet alleen tegen mij... Jozef van Alfeüs wil dat Jij weet
dat hij onlangs tijdens een zakenreis naar Jeruzalem werd aangehouden en bedreigd vanwege Jou.
Het waren mannen van de Grote Raad. Ik denk dat hij hen is aangewezen door een hoge piet hier.
Want wie anders zou Jozef als hoofd van het gezin en als Jouw neef kunnen kennen?
Ik vertel Je dit uit vrouwelijke gehoorzaamheid.
Maar uit mezelf zeg Ik tegen Jou: ik zou graag dicht bij jou zijn, om je troost te bieden.
Maar beslis Jij, Wijsheid van de Vader, zonder rekening te houden met mijn tranen.
Simon, je neef, wilde na dit feit bijna komen. Samen met mij.
Maar het seizoen heeft hem tegengehouden, en nog meer de vrees om je niet te vinden.
Want ons is verteld - als een bedreiging - dat Jij niet kunt blijven waar je bent.
Zoon! Mijn zoon! Mijn geliefde en heilige Zoon!
Ik sta met mijn armen omhoog, net als Mozes, op de berg,
om voor Jou te bidden in de strijd tegen de vijanden van God,
en Jouw vijanden, mijn Jezus, die de wereld niet liefheeft.
Lea van Isaak hier is gestorven.
En dat deed me verdriet, want ze was altijd een goede vriendin voor mij.
Maar de grootste pijn ben jij, ver weg en niet geliefd.
Ik zegen Jou, mijn zoon,
en terwijl ik Jou vrede en zegen geef,
smeek ik Je om het ook aan Jouw moeder te geven.'"
Reacties
Een reactie posten