Petrus wordt vader van niet te tellen zonen
132.8
Maria Valtorta:
'"Maar vertel eens, mijn Meester.
Geef Jij mij ook een kind? Wij zijn oud...
Maar Je vertelde dat de Doper geboren was uit een oude vrouw...
Nu zei je net: 'En tegen hen die na jou komen, zul jij zeggen...'
Wie komt er na een man, behalve zijn eigen zoon?..."
Petrus heeft een gezicht vol gebed en hoop.
"Nee, Petrus. En wees daar niet bedroefd om.
Je lijkt nu net je meer als de zon achter een wolk schuilgaat.
Van lachend wordt het somber... Nee, mijn Petrus...
Maar niet één, maar duizend en tienduizenden zonen zul jij hebben, en in ieder volk...
Herinner je je niet dat Ik tegen je zei: 'Jullie zullen vissers van mensen worden'...?"
"Oh! ja... maar... het zou zo lief zijn,
als een kind 'vader' tegen mij zou zeggen!"
"Je zult er zoveel hebben dat je ze niet meer kunt tellen.
En aan wie jij het eeúwige leven zult geven.
En je zult ze terugvinden in de hemel
en je zult ze bij Mij brengen en zeggen:
'Dit zijn de kinderen van Jouw Petrus
en ik wil dat zij zijn waar ik ben.'
En ik zal jou vertellen:
'Ja, Petrus. Zoals jij het wenst.
Omdat jij alles voor Mij hebt gedaan
en Ik alles voor jou doe.'
Jezus is heel lieflijk als Hij deze Beloften uitspreekt.
Peter slikt speeksel in terwijl hij huilt,
vanwege de stervende hoop op een aards vaderschap
en de tranen van de al aangekondigde extase.
"Oh! Heer!" zegt hij.
"Maar om eeúwig leven te geven
moeten we moeten zielen kunnen overtuigen om goed te doen.
En... daar zijn we weer: ik weet niet hoe ik moet praten."
"Als de tijd daar is, zul jij beter kunnen spreken dan Gamaliël."
"Ik wil het geloven... maar, verricht Jij het wonder,
want als ik er zelf moet komen..."
Jezus lacht zachtjes en zegt:
"Vandaag ben Ik helemaal van jou.
Laten we naar het dorp gaan. Naar die weduwe.
Ik heb een geheime aalmoes. Een ring te koop.
Weet je hoe Ik daaraan kwam?... Een steen viel aan Mijn voeten,
terwijl Ik aan de voet van deze wilgenboom zat te bidden.
Aan de steen was een klein bundeltje bevestigd, met een strook perkament.
In het bundeltje zat de ring. Op de rol stond het woord 'naastenliefde'.
"Laat zien? Oh! Wat knap!
Voor een vrouw. Wat een klein vingertje!
Maar zo zwaar, zoveel metaal!..."
"Jij gaat hem nu verkopen.
Ik weet niet hoe Ik dat moet doen.
De hotelier koopt goud. Ik weet het.
Ik wacht op je bij de bakkerij. Ga, Petrus!"
"Maar... wat als ik niet weet hoe ik het moet doen?
Ik, goud... Ik weet niets over goud, ik!"
"Denk dat het brood is voor de hongerigen,
en doe je best. Tot straks!"
En Petrus gaat naar rechts,
terwijl Jezus langzamer naar links gaat,
in de richting van het dorp dat in de verte opduikt
achter een bos, voorbij het huis van de boer.'
Reacties
Een reactie posten