bij Filistijnse zeelui, hulpvaardige Petrus wel succesvol


219.3

Maria Valtorta:

'"Neem me niet kwalijk, jij hebt hen beledigd! Het is joúw schuld! Nu begrijp ik waarom ze zo vijandig op ons afkwamen om ons te verdrijven!" roept Nathanaël [=Bartholomeüs] uit.

En hij vervolgt:

"Luister, Meester. Wij – Simon, zoon van Jona, Filippus en ik – waren naar de toren met uitzicht op zee gegaan. Daar waren zeelieden en reders die goederen laadden voor Cyprus, Griekenland en zelfs voor verder weg. En ze vervloekten de zon, het stof, de zware arbeid. Ze lasterden hun lot als Filistijnen, slaven, zeiden ze, van geweldenaars, terwijl ze koningen hadden kunnen zijn. En ze lasterden de Profeten, de Tempel en ons allemaal.

Ik wilde daar weggaan. Maar Simon wilde dat niet en zei: "Nee, integendeel! Juist deze zondaars moeten we benaderen. De Meester zou dat doen, en wij moeten het ook doen."

"Spreek jij dan maar," zeiden Philip en ik.

"En wat als ik niet weet hoe het moet?" vroeg Simon.

"Dan helpen wij je," antwoordden we.


En toen liep Simon glimlachend naar twee bezwete mannen

die op een grote baal zaten die ze niet aan boord konden hijsen, en hij zei: "Die is zwaar, hè?"

"Meer dan zwaar, het is dat we moe zijn. En we moeten het laden afmaken, omdat de kapitein het wil. Hij wil uitvaren tijdens het kalme uur, want de zee zal vanavond ruwer zijn en we moeten langs de rotsen om gevaar te vermijden."

"Rotsen in de zee?"

"Ja. Waar het water kookt. Slechte plekken."

"Stromingen, hè? Ja! De middagwind draait en botst daar tegen die stroming aan..."

"Ben jij een zeeman?"

"Een visser. Zoet water. Maar water is water, en wind is wind. Ook ik heb meer dan eens al water gedronken, en mijn lading is meer dan eens naar de bodem gezonken. Ons beroep is mooi en ruw. Maar in alles is er schoonheid en lelijkheid, goed en kwaad. Geen enkele plaats is volledig slecht, en geen enkel ras is volledig wreed. Met een beetje goede wil, kun je altijd tot overeenstemming komen, en ontdekken dat er overal goede mensen zijn. Kom op! Ik zal jullie helpen!"


En Simon riep Filippus en zei: "Kom op! Neem jij die daar, ik neem deze, en deze goede mensen zullen ons erheen brengen, naar het schip, naar de ruimen!"

De Filistijnen wilden niet.

Maar toen lieten ze het gebeuren.

Nadat de bundel, en de andere die nog aan dek lagen, waren weggeborgen, begon Simon het schip te prijzen, zoals hij dat kan, de zee te prijzen, de stad zo mooi gezien vanaf de zee, zich te interesseren voor de zeevaart, voor steden van andere volken. En iedereen eromheen, iedereen bedankte hem, prees hem...



Totdat iemand vroeg: "Maar waar kom jij vandaan? Van de Nijlstreek?"

"Nee, van het Meer van Galilea. Maar zoals je ziet, ben ik geen tijger."

"Dat klopt. Zoek je werk?"

"Ja."

"Ik neem je mee, als je wilt. Ik zie dat jij een bekwaam zeeman bent," zei de kapitein.

"In plaats daarvan neem ik ú mee."

"Ik? Maar zei je niet dat je werk zocht?"

"Dat klopt. Mijn taak is om mensen tot Gods Messias te brengen. U bent een mens. Dus u bent werk voor mij!"

"Maar ik ben een Filistijn!"

"En wat betekent dat?"

"Dat betekent dat jullie ons haten, dat jullie ons vervolgen, sinds mensenheugenis. Jullie leiders hebben altijd gezegd dat..."


"De Profeten, hè?...

Maar nu zijn de Profeten stemmen die niet meer schreeuwen.

Nu is er alleen nog de grote, heilige Jezus.

Hij schreeuwt niet, maar roept met de stem van een vriend.

Hij vervloekt niet, maar zegent.

Hij brengt geen onheil, maar verwijdert het.

Hij haat niet en wil niet dat men haat.

Integendeel, hij heeft iedereen lief

en wil dat wij zelfs onze vijanden liefhebben.

In zijn Koninkrijk zullen er geen overwinnaars en overwonnenen meer zijn,

geen vrijen en slaven meer, geen vrienden en vijanden meer.

Er zullen geen pijnlijke verschillen meer zijn,

die voortkwamen uit menselijke slechtheid,

maar daar zullen alleen Zijn volgelingen zijn,

d.w.z. mensen die leven in liefde, in vrijheid,

in overwinning over alles wat last en pijn is.

Ik smeek jullie, geloof s.v.p. mijn woorden

en verlang naar Hem.


De Profetieën zijn geschreven.

Maar Hij is veel groter nog dan de Profeten.

En voor wie Hem liefhebben, worden de Profetieën tenietgedaan.


Zien jullie deze prachtige stad van jullie?

Nog mooier zou je haar in de hemel terugvinden,

als je onze Heer Jezus, de Christus van God, zou liefhebben."


Zo sprak Simon.

Tegelijk goedhartig en geïnspireerd.

En iedereen luisterde aandachtig en respectvol.

Ja, respectvol.



Maar toen kwamen er schreeuwende burgers uit een straat, gewapend met knuppels en stenen.

Ze zagen ons en herkenden ons aan onze kleding als buitenlanders

– en buitenlanders, begrijp ik nu, van jouw ras, o Judas –

en ze dachten dat wij van jouw soort waren.


Als de mensen op het schip ons niet hadden beschermd,

waren we in de problemen gekomen!

Die lieten een boot te water en namen ons mee over zee.

Ze zetten ons aan land op het strand bij de zuidelijke tuinen,

en vandaar keerden we terug, samen met de kwekers

van bloemen voor de rijken hier."'


15 juli 1945

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken