Johannes verrukt bij het zien van de zee - is dat ook zijn bestemming? en die van anderen?
221.2
Maria Valtorta:
'En zodra de groep apostelen de vlakte verlaat
om een pad te nemen dat over een heuvel omhoog klimt, die letterlijk bedekt is met wijngaarden, aan deze kust die uitkijkt over de zee – een stenige, kalkstenen kust, waar de druiven iets kostbaars moeten worden, alsof ze van sap in siroop zijn veranderd – zie, daar is de zee, mijn zee, de zee van Johannes, de zee van God! En openbaart zich in haar grenzeloze draperie van blauwe, gegolfde zijde, en spreekt van afstand, van oneindigheid, van kracht, terwijl ze samen met de hemel en de zon het trio van scheppende glorie bezingt.
En de vlakte ontvouwt zich, in heel haar golvende schoonheid, met aanzetten tot heuvels van enkele meters hoog, afgewisseld met vlaktes, met gouden duinen, helemaal tot aan de steden en dorpen aan zee, wit tegen het blauw.
"Wat mooi! Wat mooi!" mompelt Johannes extatisch.
"Maar, mijn Heer! Die jongen lééft van het blauw. Je moet hem daarvoor bestemmen. Het is alsof hij zijn bruid ziet, wanneer hij de zee ziet!" zegt Petrus, die zlef niet veel onderscheid maakt tussen zeewater en meerwater. En hij lacht goedmoedig.
"Hij is al voorbestemd, Simon. Jullie hebben allemaal je bestemming."
"O! Prachtig! En waar stuur Je mij naartoe?"
"O! Jij!..."
"Zeg het me, wees lief!"
"Naar een plek die groter is dan jouw stad en de mijne, en dan Magdala en Tiberias samen."
"Daar zal ik verdwalen."
"Wees niet bang. Je zult eruitzien als een mier op een groot skelet. Maar door onvermoeibaar te komen en te gaan, zul je het skelet weer tot leven wekken!"
"Ik begrijp er niets van... Wees duidelijker."
"Je zult het begrijpen, je zult het begrijpen!...'
En Jezus glimlacht.
"En ik?"
"En ik?''
Iedereen wil het weten.
"Ik zal zo doen"...
Jezus buigt zich voorover – ze staan langs de grindachtige oever van een beekje dat nog steeds vol water staat – en Hij pakt een handvol fijn grind op. Gooit het in de lucht, en het valt terug en vliegt alle kanten op. "Kijk, dat ene kiezelsteentje alleen zit nog in Mijn haar. Ook jullie zullen zo verstrooid worden."
"En Jij, neef, vertegenwoordigt Palestina, toch?" vraagt Jakobus van Alfeüs ernstig.
"Ja."
"Ik zou graag weten wie er in Palestina achterblijft," vraagt Jakobus opnieuw.
"Bewaar deze kiezelsteen, als herinnering," en Jezus geeft het kiezelsteentje, dat nog steeds in zijn haar zat, aan zijn neef Jakobus, en glimlacht.
"Kun Je mij niet in Palestina laten? Ik ben de meest geschikte, omdat ik de lompste ben, en hier in ons huis, weet ik mijn weg wel te vinden, maar daarbuiten!..." zegt Petrus.
"Jij bent de minst geschikte, integendeel, om hier te blijven."'
Reacties
Een reactie posten