met neef Jakobus de Karmel op 3
257.3
Maria Valtorta:
'"Laten we nu bramen en bosbessen plukken voor onze magen
en ons verfrissen bij een bron die Ik beneden hoorde.
Laat je mantel in de grot achter.
Niemand zal hem nemen."
En samen met zijn neef waagt hij de sprong,
plukt wild fruit van de struiken in het kreupelhout,
en dan, een paar meter lager, aan de overkant van waar ze vandaan kwamen,
vullen ze hun veldflessen, het enige wat ze bij zich hadden, bij een kabbelende bron
die onder een wirwar van wortels ontspringt,
en wassen zich om af te koelen van de hitte,
die ondanks de hoogte nog steeds sterk is.
Dan klimmen ze terug naar hun plateau,
en terwijl de lucht op de top rood kleurt,
getroffen door de zon die in het westen bijna ondergaat,
eten ze wat ze verzameld hebben, en drinken nog wat,
glimlachend naar elkaar, als twee blije kinderen,
of als twee engelen.
Nog een paar woorden:
een herinnering aan hen die op de vlakte zijn achtergebleven,
een uitroep van bewondering voor de extreme schoonheid van de dag,
de namen van hun beide moeders...
Niets meer.
Dan trekt Jezus zijn neef tot Zich,
en die neemt Johannes' gebruikelijke houding aan,
met zijn hoofd rustend op Jezus' borst, één hand op zijn knieën,
de andere in de hand van Zijn neef.
En zo blijven ze zitten.
Terwijl de avond valt met een luid getjilp van vogels
die zich terugtrekken in het struikgewas,
een geklingel van belletjes dat vervaagt
en steeds onduidelijker wordt,
en een zacht geruis van de wind
die de bergtoppen streelt,
ze verfrist en verlevendigt
na de stille hitte van de dag,
een voorbode van de dauw.
Zo blijven ze lange tijd zitten,
maar ik geloof dat het alleen maar een stilte van de lippen is,
terwijl hun geesten, actiever dan ooit, bovennatuurlijke gesprekken voeren.'
19 aug.1945
Reacties
Een reactie posten