uitrusten op de weg naar Bethlehem (in Galilea)
CCXLVII
DE HEILIGE MAAGD LEERT MARIA MAGDALENA
CONTEMPLATIEF BIDDEN
247.3
Maria Valtorta:
'De nederzetting Jafia wordt bereikt en doorkruist,
zonder dat een inwoner de wens toont de Meester te volgen of Hem tegen te houden.
De apostelen gaan verder, onrustig door de onverschilligheid van de plaats,
terwijl Jezus probeert hen gerust te stellen.
De vallei loopt verder westwaarts
en onthult aan het einde een ander dorp,
verscholen aan de voet van een andere berg.
Dit dorp, dat naar verluidt Meraba heet, is ook onverschillig.
Slechts enkele kinderen komen naar de apostelen toe
terwijl ze water halen uit een heldere bron die tegen een huis aanleunt.
Jezus liefkoost hen en vraagt naar hun naam, en de kinderen vragen naar Zijn naam
en wie Hij is, waar Hij heen gaat, en wat Hij doet.
Een halfblinde, oude, gebogen bedelaar komt dichterbij
en steekt zijn hand uit om de aalmoezen aan te nemen,
die hij ook ontvangt.
De tocht begint opnieuw
met de beklimming van een heuvel,
die die de vallei blokkeert waarin het water van zijn beekjes stroomt,
nu gereduceerd tot een klein stroompje, of slechts door de zon verschroeide stenen.
Maar de weg is goed, eerst door olijfboomgaarden, daarna langs andere bomen,
waarvan de takken zich verstrengelen en een groene tunnel boven de weg vormen.
Ze bereiken de top,
die, als ik me niet vergis, wordt bekroond door een weelderig bos met essen.
En daar gaan ze zitten om te rusten en te eten.
En behalve voor eten en rusten, is het ook een lust voor het oog,
want het panorama is prachtig, met het Karmelgebergte links voor wie naar het westen kijkt.
En waar het Karmelgebergte – een weelderig gebergte met al de mooiste tinten groen – eindigt,
glinstert de zee, open, grenzeloos, zich uitstrekkend, met haar golvende deining, naar het noorden,
om de kusten te beroeren die vanaf de punt van de landtong,
gevormd door de verste uitloper van Karmel,
oprijzen naar Ptolemais en andere steden,
totdat ze in een lichte mist verdwijnen
richting Syro-Fenicië.
De zee is echter niet te zien ten zuiden van de Karmellandtong,
omdat het gebergte, hoger dan de heuvel waarop zij staan, het zicht belemmert.
De uren verstrijken in de ruisende schaduw van het luchtige bos.
Sommigen slapen, sommigen spreken met gedempte stem,
sommigen waken.
Johannes neemt afstand van zijn metgezellen
en klimt zo hoog mogelijk om meer te kunnen zien.
Jezus trekt zich terug in een dicht struikgewas om te bidden en te mediteren.
De vrouwen zonderen zich vervolgens ook af
achter een gordijn van wuivende kamperfoelie, die volop in bloei staat,
en verfrissen zich daar bij een klein bronnetje dat, tot een klein straaltje gereduceerd,
een plasje op de grond vormt dat niet uitgroeide tot een beekje.
Daarna vallen de oudsten vermoeid in slaap,
terwijl de Heilige Maagd, Martha en Susanna over hun verre thuis spreken,
en Maria zegt dat ze die prachtige, bloeiende struik wel graag zou willen hebben
als beschutting voor haar kleine grot.'
Reacties
Een reactie posten