farizeeën hadden Judas als informant
293.3
M. Valtorta:
'Ze staan allemaal op.
Maar Jezus beveelt de discipelen te blijven waar ze zijn, en ook de vrouwen,
behalve Zijn Moeder, Maria Klopas, Susanna en Salome.
En bij het zien van de pijn op de gezichten van de uitgeslotenen, zegt Hij:
"Ga naar het dak. Daar zullen jullie Mij ook nog horen."
Hij gaat naar buiten met de apostelen en de vier vrouwen.
Hij volgt de weg terug die de herbergier had genomen
en gaat de grote binnenplaats op.
De menigte rekt haar nek om te kijken,
en de slimsten klimmen op de hooibergen,
op de karren die aan de zijkant geparkeerd staan,
op de rand van de fonteinen...
De beide Farizeeën komen onderdanig op Hem af.
Jezus begroet hen met Zijn gebruikelijke groet, alsof ze Zijn trouwste vrienden zijn.
Maar Hij neemt niet de tijd om hun vettige vragen te beantwoorden:
"Zijn jullie met zo weinig?... En zonder discipelen?... Hebben die jullie in de steek gelaten?"
Jezus, die doorloopt, antwoordt ernstig:
"Niemand heeft Mij verlaten. Jullie komen uit Arbela, waar jullie ontmoet hebben wie mij voorging, en in Judea hebben jullie Judas, de zoon van Simon, en Thomas, Nathanaël en Filippus ontmoet."
De corpulente Farizeeër durft Hem niet langer te volgen en blijft plots staan, blozend als een gloeiende kool. De andere, brutaler, dringt aan: "Dat is waar. Maar we wisten dat U met trouwe discipelen en met de vrouwen was, en waren dus verbaasd U met zo weinigen te zien. Wij wilden Uw nieuwe veroveringen zien om U te feliciteren!" en hij lacht geforceerd.
"Mijn nieuwe veroveringen? Kijk, daar zijn ze!"
En Jezus gebaart in een halve cirkel naar de menigte,
die grotendeels van over de Jordaan komt, d.w.z. uit de streek waar Bozra ligt.
En dan, zonder de Farizeeër de tijd te geven om te antwoorden,
begint Hij te spreken.'
Reacties
Een reactie posten