samen naar Arbela, met enkelen naar Aëra
293.10
Maria Valtorta:
'Simon Petrus vraagt:
"Maar gaan wij dan van Arbela [i/d Decapolis, Jordanië] naar Aëra [nu As-Sanamayn, Syrië]?
Ik ben bang dat we slecht weer krijgen. Zoveel mist...
Die is er al drie dagen, zowel bij zonsopgang als bij zonsondergang..."
"Omdat we hier zijn afgedaald.
Had je 't niet gemerkt, dat jullie een flink stuk zijn afgedaald?
Maar zo is het wel. Vanaf morgen gaan jullie weer omhoog,
richting de bergen van de Decapolis,
en dan is er geen mist meer,"
legt Misace uit.
"Afgedaald? Wanneer? Het was toch een vlakke weg..."
"Ja, maar constant dalend. O! Zo langzaam dat je het niet voelt.
Maar wel kilometers en kilometers lang!..."
"Hoe lang blijven we in Arbela?"
"Jij, Jakobus en Judas, nog geen uur," zegt Jezus scherp.
"Ik... Jakobus en Judas... nog geen uur?
En waar ga ik heen, als ik niet bij jullie blijf?"
"Weg...
Naar het land waarvan Chusas de bewaker is.
Jij zult Mijn Moeder en de vrouwen daarheen vergezellen, samen met de andere twee.
Daarna zullen zij alleen met de dienaren van Johanna verder reizen,
en jij zult terugkeren en je bij Mij voegen in Aëra."
"O Heer! Je bent boos op mij en straft mij...
Wat een pijn doe Je mij, Heer!"
"Simon, zij die weten dat ze schuldig zijn, voelen zich gestraft.
Die schuld zou pijn moeten veroorzaken, niet de straf zelf.
Maar Ik vind het geen straf, om Mijn moeder te mogen vergezellen,
en de vrouwelijke discipelen, op de terugweg."
"Maar zou het niet beter zijn geweest als Jij ook met ons mee was gegaan?
Vergeet Aëra en deze plaatsen, en ga met ons mee!"
"Ik heb beloofd daarheen te gaan, en Ik ga."
"Dan ga ik ook mee!"
"Jij gehoorzaamt, zoals Mijn neven, zonder protest."
"En als je de Farizeeën tegenkomt?"
"Jij bent beslist niet de meest geschikte om hen te bekeren.
Maar juist omdát Ik hen zal vinden, wil Ik dat jij, samen met Jakobus en Judas,
samen met de vrouwen, Johannes van Endor en Margziam naar Arbela vertrekken."
"Ah!... Ik begrijp het! Goed."
Jezus wendt zich tot de vrouwen, en zegent hen één voor één,
waarbij hij ieder van hen passend advies geeft.
Magdalena, die zich bukt om de voeten van haar Verlosser te kussen, vraagt:
"Zal ik Jou nog eens zien voordat ik naar Bethanië terugkeer?"
"Zonder twijfel, Maria. Ik zal met Ethanim [sept.-okt.] bij het meer zijn."'
Reacties
Een reactie posten