in Antiochië: getuigenis van Matteüs (ex-geldwolf)


324.5

Maria Valtorta:

'Matteüs, het is aan jou,

om over de andere heerlijkheden van de Heer te vertellen!"


"Ik kan de serene woorden van Andreas niet gebruiken.

Hij was een rechtvaardige, ik was een zondaar.

Daarom hebben mijn woorden niet de feestelijke toon,

maar wel de vertrouwvolle vrede van een psalm.


Ik was een zondaar. Een grote zondaar.

Ik leefde in volkomen dwaling.

Ik had me erin verhard

en voelde geen ongemak.


Als de Farizeeën of de synagoge-overste soms

hun beledigingen of verwijten naar me slingerden,

en me herinnerden aan God, de onverbiddelijke Rechter,

had ik even een moment van angst...

en dan verzonk ik in de dwaze gedachte:

"Ik ben toch al verdoemd. Laten we ons daarom verheugen,

o zintuigen van mij, zolang het nog kan!"

En ik zonk dieper dan ooit

weg in de zonde.



Twee lentes geleden

kwam er een Onbekende Man naar Kafarnaüm.

Hij was ook voor mij onbekend.

Hij was voor iedereen onbekend,

omdat Hij nog aan het begin van Zijn missie stond.

Slechts een paar mannen kenden hem zoals hij werkelijk was.

Dezen die jullie zien, en nog een paar anderen.


Ik was verbaasd over zijn schitterende mannelijkheid,

kuiser dan de kuisheid van een maagd.

Dat was het eerste wat me opviel.


Ik zag hem als streng,

maar toch bereid om naar de kinderen te luisteren,

die op Hem afkwamen als bijen op een bloem.

Zijn enige vermaak waren hun onschuldige spelletjes,

en hun ongeremde woorden.


Later was ik verbaasd over Zijn macht.

Hij verrichtte wonderen.

Ik zei: "Hij is een exorcist!

Een heilige!"


Maar ik voelde me zulk een schande,

in vergelijking met Hem,

dat ik hem vermeed.


Hij zocht mij.

Of ik had die indruk.

Hij liep nooit langs mijn bureau zonder mij aan te kijken

met Zijn lieve, ietwat droevige blik.


En elke keer was dat als een schok voor mijn verdoofde geweten,

dat nooit meer naar dezelfde staat van lethargie terugkeerde.



Op een dag

—iedereen prees Zijn woorden altijd—

wilde ik Hem horen.


En verscholen achter een hoek van het huis,

hoorde ik Hem spreken tot een kleine groep mannen.

Hij sprak eenvoudig, over naastenliefde,

die als een aflaat voor onze zonden is...


Vanaf die avond wilde ik

- de hebzuchtige en hardvochtige -

vele zonden door God laten vergeven.


Ik deed die dingen in het geheim...

Maar Hij wist dat ik het was,

want Hij weet alles.



Een andere keer

hoorde ik Hem Jesaja 52 uitleggen.


Hij zei dat in Zijn Koninkrijk, in het hemelse Jeruzalem,

niet de onreinen zouden zijn, en de onbesnedenen van hart..


En Hij beloofde, dat die hemelse Stad

- waarvan Hij de schoonheid zo overtuigend had beschreven dat ik ernaar verlangde -

zou toebehoren aan ieder die tot Hem kwam.


En toen... en toen...

O! Die dag was het geen blik uit droefheid,

maar een blik van autoriteit.


Hij verscheurde mijn hart,

Hij legde mijn ziel bloot,

Hij brandde haar dicht,

Hij nam die arme, zieke ziel beet,

Hij martelde haar met Zijn veeleisende liefde...

en ik had een nieuwe ziel.


Ik ging naar Hem toe

met berouw en verlangen.

Hij wachtte niet tot ik zei: "Heer, heb genade!"

Hij zei: "Volg mij!"


De Zachtmoedige had Satan overwonnen

in het hart van de zondaar.


Laat dit u duidelijk zijn,

als iemand van u gekweld wordt door zonden:

dat Hij de goede Redder is,

en dat we niet van Hem moeten wegvluchten,

maar dat we - des te meer als we zondaren zijn -

in nederigheid en met berouw tot Hem moeten gaan

om vergeving te ontvangen.'


8 nov.1945

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken